
[HF20251012-1113:de_professionele_ethos_van_een_woestijnsurfer]
Homo finalis kent een exemplarische vorm waarin hij zichzelf geperfectioneerd en voltooid ziet, namelijk de professional. De prof is de finale editie van de vakman, dus meteen ook het einde van de vakman. Vóór de komst van de professional leverden vaklui in goed afgestemd werkverband iets moois af. De vakman werd toegestaan een kwaliteit te bereiken die hem vervulde met zelfwaardering en beroepstrots. De professional staat echter voor een verwaarlozing en afschaffing van die ambachtelijke benadering. Hij haast zich voor zijn ‘deadline‘; niet wat hij aflevert doet er toe, maar of alle ‘targets‘ van zijn ‘checklist‘ zijn afgevinkt. Zoals men de professional niet moet verwarren met de vakman, en de amateur niet met de prutser, zo mag professionalisme niet worden verward met kundigheid, vakmanschap en beroepseer. De prof is de finale variant van de Uebermensch: hij kan en heeft geen tijd om kinderen op te voeden, te rouwen om dierbaren te koesteren of om ziek te zijn. Hij is er zelfs trots op dat hij ‘geen tijd’ heeft. Hij is dermate op de vlucht voor de mens in zichzelf dat hij zelfs op ‘vakantie’ die ‘professionele’ houding niet kan laten varen. De professional is de mensgeworden robot die zichzelf welbeschouwd slechts twee vragen dient te stellen. De eerste betreft een berekening op de lange termijn: ‘Heb ik ook volgend jaar deze baan nog?’, ‘ Breng ik hiermee mijn pensioen of hypotheek in gevaar?’ De tweede vraag is niet minder professioneel en betreft de korte en middellange termijn: ‘Kom ik hiermee weg?’ Beide vragen liggen niet noodzakelijk in elkaars verlengde. Aan het bestaan van de professional worden dan ook eisen gesteld (foutlozer en sneller werken in grotere volumes) die omgekeerd evenredig zijn aan de omvang van zijn autonomie of geldelijke beloning. Naarmate dat emotioneel meer beladen is (op het gebied van zorg, onderwijs en wetshandhaving) ziet de prof ‘aan de onderkant’ eisen gesteld die omgekeerd evenredig zijn aan de bewegingsruimte om vakmatig te kunnen werken. Leidinggevende ‘profs’ daarentegen worden geacht de kapsones van de patron te vertonen, uiteraard zonder de betrokkenheid en het verantwoordelijkheidsgevoel van de patron, want dat zou ‘onprofessioneel’ zijn. Aan de onderkant van de maatschappelijke ladder wordt de professional dankzij de professionele attitude behoed voor een afdaling in de maatschappelijke souterains. Streefdoel van deze houding is de beveiligde toestand van ‘just another day in the office’, ofwel leven zonder dat teveel te laten blijken. Die zombietoestand weerhoudt de professional van het bewandelen van een meer riskante weg, maar beschermt ook tegen werkeloosheid, een toestand die hij niet kan hanteren. Ziedaar de vrees van de loonslaaf: er is altijd iets dat nog erger is dan slavernij, namelijk vrijheid. Aan de andere kant van de maatschappelijke ladder heerst niettemin eenzelfde angst voor risico’s. Daar, aan de ‘bovenkant’, hebben we het niet over de meesters in het bevatten van de risico’s en ook niet over risico-nemende makers. Het gaat ook daar niet om vakmanschap, maar om ‘marketeers’, lieden wiens professie het is om zaken ‘in de markt te zetten’ of in de markt te houden, bijvoorbeeld met behulp van een content strategy. Het kan ook gaan om ‘professionele leiders’, dat wil zeggen talenten die positioneel denken en daarin op safe spelen. Professioneel leiderschap (er zijn mensen die beweren dat het bestaat) levert een voorspelbare leader op: conflictvermijdend sturend op consensus en steeds in de ‘afvinkmodus’. Fouten vermijden en op punten die kunnen worden afgevinkt kunnen ‘scoren’ is voor de professionele ‘leider’ belangrijker dan het juiste doen. Het gaat hem om ‘afhandelen’, niet om het analyseren, bestrijden en oplossen van de onderliggende problemen. Het professionele koketteren met professionaliteit kan zover gaan dat ook een echte leider zoals Churchill verklaringen heeft kunnen afleggen als: ‘Ik haat niemand, behalve Hitler – en dat doe ik beroepsmatig’.*
Kwinkslagen leveren, stupiditeit en geveins kunnen verdragen, koketeren met ignorantie: dat alles helpt een professionele leider om in charge te blijven. De werkelijk machthebbenden steunen hem daarin. De prof is er bovendien niet om zichzelf overbodig te maken, integendeel, hij versterkt zijn positie door zichzelf onmisbaar te maken. En daar is hij verdomd goed in. Moeilijk is dat niet: zowel aan de bovenkant als aan de onderkant opereert de professional feitelijk als amateur, want geheel aan de ketting van protocollen die hij niet echt doorgrondt of hoeft te doorgronden. Mocht die veilige modus falen, dan schakelt hij over op de toestand van wederzijdse garantstelling: een onderdeel van het professionalisme is immers dat de ene collega de andere veilig stelt, afschermt, dekt. In bijbelboek Prediker 5 heet het al: ‘Wanneer je ziet dat in het land de armen worden onderdrukt en het recht en de rechtvaardigheid geschonden, wees dan niet verbaasd. Want een hoge ambtenaar wordt door een hogere beschermd, en zij beiden weer door ambtenaren die nog hoger zijn’. Zeker in hiërarchische structuren geldt: de professionele organisatie beschermt tegen baanverlies, al het andere is ondergeschikt aan die hoofdwet. Hart voor de zaak, eervolle passie voor geleverde producten of diensten, teamgeest en verantwoordelijkheid zijn voor de ware professional bijkomstigheden die even irritant zijn als ‘klantvriendelijkheid’ en ‘communiceren’ – zaken die hij begrijpt als ‘vriendelijk zijn voor klanten’, en als een doorverwijzend ‘maar u hebt daar en daar toch kunnen lezen of begrijpen dat…’. Dergelijke zaken versmelten in professionele mantra’s als ‘Mijn collega komt zo bij u” en computer says no (‘Helaas, maar het systeem waarmee ik werk laat dit niet toe.’). Mocht dat alles onvoldoende zijn dan heeft de professional nog zijn wederzijds aanvullende lijfspreuken ‘sorry‘ en ‘chalta hai‘ (Indiaas voor: ‘not of my bussiness‘) of het paardenmiddel van de zelffelicitatie. Dat laatste is vooral voor de professionele ‘leider’ van waarde; onbeschroomd claimt de finale leader ‘fenomenaal succes’ waar in werkelijkheid sprake is van een afgang. En hij komt ermee weg, omstanders in verbijstering achterlatend. Vanuit de vroegere ambachtsman of ambtsdrager gezien is de finale professional per saldo een beun die garantie tot aan de poort biedt, een ritselende handelaar in bedrog. Handigheid en handigheidjes worden verward met kunde en kundigheid; creativiteit met artistiek inzicht; professionaliteit met ambachtseer; branding met reputatie. Daarmee is finalis zelf het eerste slachtoffer van zijn zelfbedrog en onoprechtheid – niet zozeer uit boosaardigheid, maar omdat hij zich niet kan verzetten tegen de verknipte eisen die de finale wereld aan hem stelt. Dus overbiedt hij die eisen door de tekorten van de finale wereld te beantwoorden met verknipte reparaties, wat neerkomt op een vorm van maladaptatie, een schijnbare aanpassing aan de wereld die zijn thuis zou moeten zijn, maar die hij niet als zijn thuis ervaart of realiseert. De ware professional kent dan ook geen veilige haven, hoezeer hij daar ook naar verlangt, en hij weet het. Dat maakt hem tragisch als een surfer in de woestijn.
*) Winston Churchill tegenover zijn persoonlijk medewerker John Colville