
[HF20251015-1102-1113:de_finale_wereld_2]
Finalis lijkt in alles een oppervlakkige figuur. Zijn geforceerde drang om de zonzijde van de dingen te blijven zien, komt neer op een diepe verachting voor de wereld die hem omringt. Het is zijn eigen wereld, een door hem gemaakte wereld, maar hij wenst een andere, ook al weet hij niet goed wat hij wenst. Toch kan hij zichzelf niet verachten, want met de wereld heeft hij welbeschouwd niets te maken. Ze is er eenvoudig voor hem, een menstype dat vooral vervuld is van zichzelf. Het is een decor waarvan de decorstukken, rekwisieten, props en figuranten bestaan om door hem gebruikt te worden – tegen een vooraf geijkt, conventioneel betaalmiddel. In plaats van anderen en de wereld te respecteren, omdat van daaruit ontwikkeling mogelijk is, valt hij ten prooi aan de heren- en slavenmoraal en eist hij zelf respect op, dat hij verwart met het opbrengen van zelfrespect.. De wereld is immers voor hem, want alles is gemaakt, en alles wat gemaakt is, is er om hem te plezieren, te dienen, om er te zijn als instrument. De wereld draait om hem, finalis. Daarom doen narcisten het zo goed in de finale wereld. Precies dat zou een reden moeten zijn om zijn menstype en zijn wereld te verachten, maar finalis heeft de zelfverachting verleert omdat de gestaag doordruppelende verwoestende werking van zijn zelfopgelegde optimisme elke verachting heeft uitgehold èn zijn wereld heeft gemaakt tot een onleefbaar, afstotelijk, abject oord. Finalis bewoont een vervuild en uitgewoond niemandsland. Hij verzekert zichzelf onophoudelijk dat er niets aan de hand is. Zoals een roker een sigaret opsteekt en tegelijkertijd belooft te stoppen, zo zegt hij zichzelf zorgen te maken en bespot hij die verklaring tegelijkertijd met achteloos gedrag. Wat hij najaagt is hij vergeten (daarom noemt hij het nagejaagde ‘het geluk’) maar ook het dolen waartoe hij daardoor veroordeeld is, stoort hem nauwelijks, want hij meent zelf te kunnen bepalen wàt hem stoort en waarin hij doolt – en het moet hem worden nagegeven, dat die houding een heel eind slaagt. De abjecte wereld die hij wist te produceren, is de zijne geworden, ook al is hij er niet echt thuis. Hij heeft immers besloten ongevoelig te zijn voor haar afstotelijkheid en onwezenlijkheid. Daarom omringt hij zichzelf met nog méér van hetzelfde. Ziedaar de finale wereld.