
[HF20251014-1111:zelfsabotage_en_perverse_vertroosting]
Homo finalis onderhoudt een dubbelzinnige relatie met comfort – een term die oorspronkelijk vertroosting betekent. De proleet in hem is niet iemand die met ongemak leeft vanuit een nobele omgangsvorm met het taaie ongerief van alledaagse ellende. Welnee, hij produceert ongemak en in verheimelijkte vorm is hij trots op die perverse vertroosting. Daarom ook dat hij zo geniet van kijken naar sport zonder erbij te zijn. Finalis kijkt niet uit naar het spel, de gezelligheid rond het veld of het praatje in de kantine, maar geniet zichzelf. Het superlatief van de finale sportliefhebber is de genestelde couch potato die met moeite zijn overgewicht richting koelkast en magnetron verplaatst, en elk woord daarover fat shaming noemt. Alleen de loge biedt een comfortabele zitplaats voor de sociaal meest geaccepteerde variant, maar ook daar zitten de losers die het spel niet zelden ook diep minachten omdat zij (zoals de hoogste baas van de wereldvoetbalbond, Gianni Infantino) vooral private belangen op het spel zien staan.
Finalis is immers kampioen van de zelfsabotage, en ook de vertroosting moet eraan geloven.
Gevraagd naar het opvallend gebrek aan comfort, geboden door zijn iconisch modernistische meubels, antwoordde architect Gerrit Rietveld in die geest: ‘Zitten is een werkwoord’. Gelukkig voor hem, weet finalis zichzelf altijd weer te troosten met de gedachte dat zijn ongemak van tijdelijke aard is. Maar finalis zou finalis niet zijn, als hij zichzelf niet tot in het extreme zou tergen met ongemak. Desnoods verandert hij zijn leven in een hel. Desnoods beklimt hij in een file van honderden alpinisten de hoogste berg ter wereld, (22 mei 2019) en stapt daarbij letterlijk over lijken. Zijn echte ongemak schuilt immers in het ongemak dat hij met zichzelf heeft, existentieel ongemak. Hij weet dat hij er niet hoort te zijn, zelf van tijdelijke aard is, in de weg loopt, slechts een brug is, ook al weet hij niet wat voor brug en waarheen die brug leidt, want dat wil hij niet weten.
Het produceren van existentieel ongemak is dan ook een manier om te doen wat finalis vanuit zijn wezen altijd doet: het leven op de proef stellen. Het verheimelijkte levensgeluk van finalis schuilt als gezegd in de zelfsabotage, het produceren van ongeluk dat hij aan zichzelf verkoopt als het najagen van geluk. Geluk mag dan wel zijn hoogste mensenrecht zijn; zijn hoogste mensenplicht is de productie van wanstaltig ongeluk, want daarmee heeft hij immers zichzelf verward, voortdurend ongelukkig met zijn bestaan in de ruimte tussen vaste vorm en mogelijkheid. Mede daarom wentelt finalis zichzelf graag in de existentiële risico’s die zijn voortbestaan bedreigen of lijken te bedreigen. Finalis kan zijn perverse variant van geluk niet op: ze produceren existentieel ongeluk, onvrede met het bestaan zelf. Tegelijkertijd is hij niet in staat tot suïcide. Er is immers geen sprake van een behoefte om er een einde aan te maken. Daartoe is finalis ook niet in staat. Maar hij slaapt graag met een op scherp staand pistool onder zijn hoofdkussen, om zo zijn angst voor zichzelf onder schot te houden. Daarom is de atomaire hyperbewapening hem zo lief. Het tergt hem elke seconde dat hij bewust leeft. Alle uren van zijn dagen voedt het een tergend existentieel ongemak. Dat te genieten, noemt finalis leven.
Thorstein Veblen werd vooral bekend met zijn sociaal-economische theorie van de leisure class, maar zijn pamflet uit 1919 On the Nature and Uses of Sabotage wijst op dit nog belangrijker aspect van de wereld van homo finalis: zijn bestaan wordt mede gedragen door sabotage, een cruciaal onderdeel van het kapitalistische systeem dat zijn bestaan draagt. Hij lijkt dus niet op de kapitalistische mens zoals beschreven door Max Weber, die de kleinburgerlijke arbeidsethos een religieus fundament toedichtte . Eerder is hij de destructieve mens, in 1931 beschreven door Walter Benjamin., namelijk de mensensoort voor wie zelfmoord ‘de moeite niet loont’.. Destructieve en ontwrichtende vormen van anti-efficientie zitten in het systeem ingebakken en worden door de gepriviligeerde mens die finalis is, gebruikt om de eigen privileges te bestendigen. Finalis voelt dit intuitief aan, en produceert ook in dit opzicht existentieel ongemak en onvrede met het bestaan zelf. Hij laat een spoor van vernieling achter zonder het zelf te zien. Ziehier het toxische karakter van zijn zelfsabotage: finalis ontregelt en verstoort ook de vertroosting die anderen zouden kunnen genieten.
In het perverse genot daarvan, dat hij uiteraard nauwelijks voor zichzelf erkent, spant hij samen met zijn schaduw. Maar zijn ideologie verblindt, want leert hem dat economie in essentie gaat over behoeftebevrediging, over arbeidsethos, en over hoe de verdeling van schaarse middelen zo efficient mogelijk kan worden ingericht om zo de maatschappelijke samenleving mogelijk te maken waarin iedereen het recht op een goed leven toekomt. Een bevestigende uitzondering op die verblinding is de zakelijke cynicus, als in Brecht’s Song von Angebot und Nachfrage. Cynisme en de fabel over de moderne mens in het kapitalistische systeem verhinderen finalis, de zelfsabotage van zijn soort te erkennen. Dat stuikt met het gegeven dat hij zelf erkenning zoekt. Ook in dit opzicht is finalis, de mensensoort die geluk zegt na te streven, de ongelukkigste mensensoort ooit. Als hij al lacht, dan omdat hij dit weet en geniet als een perverse vertroosting. Want al bij al gaat het hem ondanks alles toch goed, meent hij. In die overtuiging volhardt hij als een gelovige, niet te overtuigen van een andere zienswijze.