Plate 26

[HF20251004:finale_onthechting]

Finalis is heel tevreden over zichzelf en wil dat niet laten hinderen door bijkomstigheden zoals zijn catastrofale impact op de ecologische systemen waarvan hij afhankelijk is. Dus zoekt hij manieren om zich tegen zulke verstoringen te immuniseren, al dan niet in het volle besef dat dit maar zeer beperkt lukt omdat de bronoorzaak niet wordt aanpakt. Typisch finalis is, bijvoorbeeld, het lidmaatschap van de ‘Dull Man’s Club’ op Facebook, waar hij (of zij) kan opgaan in aandacht voor het schijnbaar onbenullige.
Die banale variant op de patafysica werd ingegeven door een gepensioneerde Amerikaanse advocaat die ooit college ontving van een neuroloog en psychiater die  zijn ervaringen in concentratiekampen als Therseienstadt en Auschwitz gebruikte voor het ontwikkelen van zijn logotherapie, een benadering die psychische weerbaarheid zou kunnen vergroten. [Bron: NRC Handelsblad, 13 februari 2024] Viktor Frankl’s boek uit 1949 Ein Psychologe erlebt das Konzentrationslager (Eng.:Man’s Search for Meaning) Ook andere therapiën dienen dit doel van het scheppen van een pseudo-stoïcijnse afstand tot de wereld, een coolness die moet verbergen dat finalis al dermate afgestompt is, dat er geen innerlijke deelname meer mogelijk is. Finalis voelt zich dan ook niet thuis in zijn eigen wereld, die hooguit nog de opdracht heeft hem te entertainen – al ketst ook dat af op zijn gebrek aan innerlijke deelname, en ligt dus verveling op de loer. De in Wenen geboren Antwerpenaar Jean Améry schreef zijn gevoel zich niet meer thuis te kunnen voelen in de wereld toe aan zijn ervaringen als KZ-Häfling in de nazi-kampen, en in het bijzonder aan de folter die hij daar (in voormalig fort Breendonk bij Antwerpen) onderging, ‘de verschrikkelijkste gebeurtenis die een mens kan overkomen’. De herkomst van de finale coolness ligt precies daar, en is helemaal niet zo cool: het is het finale antwoord op de permanente, vaak extreem verfijnde folter en dressuur (drill) die in zijn wereld norm is. Het teken daarvan is Häftlingsnummer 172.364, de  in Auschwitz ontvangen tatoeage die op (en in) zijn linkerarm werd aangebracht; een productienummer uit de doodsindustrie. ‘Verder leven, maar hoe?’, is wat Améry betreft de bestaansvraag. Meer nauwkeurig: ‘Het is niet het bestaan dat me bedrukt, of het niets, of God, of de afwezigheid van God, maar de maatschappij: want zij, en alleen zij, heeft me de existentiële onevenwichtigheid bezorgd waartegen ik me probeer te verzetten door rechtop te lopen. Zij, en alleen zij, heeft me mijn vertrouwen in de wereld ontnomen. Metafysische nood is een elegante zorg van de hoogste orde. Het blijft de zorg van hen die altijd hebben geweten wie en wat ze zijn, waarom ze zijn, en dat ze zo mogen blijven.’ [*Nicht das Sein bedrängt mich oder das Nichts oder Gott oder die Abwesenheit Gottes, nur die Gesellschaft: denn sie und nur sie hat mir die existenzielle Gleichgewichtsstörung verursacht, gegen die ich aufrechten Gang durchzusetzen versuche. Sie und nur sie hat mir das Weltvertrauen genommen. Die metaphysische Bedrängnis ist eine elegante Sorge von höchstem Standing. Sie bleibt Sache derer, die da immer wussten, wer und was sie sind, warum sie es sind, und dass sie es bleiben dürfen.“ – Jenseits von Schuld und Sühne, 1966] Améry noemt dit de conditie van de Überwältigten, zij die overweldigd werden, waarmee het voortleven als slachtoffer en verbijstering over alle schennis en vertrouwensverlies waarvan hij slachtoffer werd een grondhouding van zijn bestaan wordt. Die conditie vormt ook het levensgevoel van finalis, die zelfs als dader nog slachtoffer is. Niet onthechtheid of arrogantie, maar verbijstering en zelfbescherming motiveren de finale coolness. Finalis heeft immers weet van geindustrialiseerde geweldsorgiën, en méér nog: hij heeft weet van het nog grotere geweld dat hem mogelijk wacht in een nucleaire eindtijd. Ook in dat laatste geval treedt het menselijk individu op als onbeperkt heerser die naar goeddunken ontmenselijkt en vernietigt.

Posted in