het recht om jezelf te zijn

[HF20251118-19:het_recht_om_jezelf_te_zijn]
Als homo finalis hardop het recht claimt om zichzelf te zijn, bedoelt hij daarmee dat het kuddedier in hem nood heeft aan een roedel. Zijn diepste zelf wil helemaal niet het unieke zelf ervaren (te pijnlijk), maar juist groepsdenken en groepsdwang: conformisme, consensus, uniformiteit, dorpsgeest, of een variant daarop zoals de kleinburgerlijke arbeidsmoraal en de complottheorie. Hij kan zichzelf niet zijn om de eenvoudige reden dat hij niet weet hoe dat moet. Omdat hij vreest voor afwijzing heeft finalis het over een recht. Dat wie dicht bij zichzelf wil blijven daar hard voor moet werken, en de strijd tegen groepsdenken en groepsdwang (en dus het eigen ego) niet uit de weg kan gaan, dat ontloopt finalis liever. De vrije mens vecht ervoor om zich aan de beperkingen van de eigen achtergrond te ontworstelen, maar finalis zoekt nu juist zulke beperkingen, meet anderen volgens die maatstaf en bekrachtigt alle attributen die dat naar buiten toe uitdragen. Juist nu de stammen ontbonden zijn, zoekt hij zijn stam, de tribale nestgeur van hen die hetzelfde denken, de stam van hen die zeggen ‘gelijk’ (hetzelfde) te zijn, omdat het ‘zijn’ zelf hen ergert, teleurstelt, de eenling op zichzelf terugwerpt. Een van de vroegste vormen van die impuls was het folklorisme, de idee dat allen van een stam er hetzelfde bijlopen, zoals de sansculotten herkenbaar waren aan hun klederdracht. Het leidde niet alleen tot uitgevonden tradities* zoals ‘nationale’ geüniformeerde klederdrachten – bijvoorbeeld de Schotse clan tartan.* Het folklorisme werd ook van meet af aan gehanteerd als verdienmodel in de toeristische industrie, exportproductie en nationalisme (krachten die vaak in elkaars verlengde lagen en liggen) en was juist steeds een vast onderdeel van de globalisering, een manier om het vreemde te identificeren en daarmee te ont-eigenen.
Achter de façade van die identitaire fictie gloort ook het nationalisme, een ideologie die uitgroeide tot de premisse dat een paspoorthouder mede-eigenaar en aandeelhouder van een economische ruimte is. De nationale staat vertaalt die premisse in een onontkoombare administratieve realiteit met juridische, fiscale, militaire en educatieve gevolgen. Dat het op een symbolische manier deelgemeenschappen bekrachtigt, doet niets af aan de werkelijkheid dat de natiestaat uniformeert en ont-eigent. Want uiteindelijk worden ook de ‘gemeenschappen’ die de natiestaat lijken te ontbinden door de realiteit ingehaald en afhankelijk gemaakt van hun economische aandeelhouderschap. De waarde van een identiteit wordt daar bepaald door zijn soortelijk gewicht, zodra het begint te drijven op de geldstromen die ook de nationale staat drijvend houden. Wat er gebeurt zodra het kapitalisme in een trage ontbinding verkeert, laat zich raden.
*) Eric Hobsbawm, Terence Ranger, The Invention of Traditions. 1983
The text above is part of a preview of a book (in progress) by Leon Dessau, titled Homo Finalis.
More info on the mainpage. Unless indicated, all imagery on this site is AI generated, prompted in 2025 by Leon Dessau
Images: creative commons / copyright on text by Leon Dessau