elk monument wil iets doen vergeten

[HF20251124:het-geheugen-en-de-dingen]
Homo finalis is de uitvinder van de musealisering, maar zijn verhouding tot de dingen heeft het feodale verleden nooit geheel achter zich gelaten. In het mentale provincialisme van de feodale geest zijn dingen er alleen maar voor de magische afglans van een bepaalde herkomst (provenance) of ter verheerlijking van ideeën en verhalen (reliek) en meer in het algemeen ten dienste van de glorificatie, in het bijzonder de zelfverheerlijking en fetishering. Voor datzelfde mentale provincialisme is historisch inzicht domweg te hoog gegrepen: het gaat om genealogie. Dingen die erop wijzen dat de wereld niet bij zijn eigen kleine wereldje ophoudt, hebben voor finalis geen waarde; hij ziet ze niet eens. Finalis redeneert hierin extreem provinciaal en egocentrisch: dingen ‘die ideeën verheerlijken waar ik niks mee heb’ hoeven geen aandacht te krijgen en kunnen weg. Historische documenten en artefacten zijn dus per definitie waardeloos, tenzij ze de criteria hebben doorstaan van een inspectie die ze leest als onderworpen aan verheerlijking, adoratie, devotie en bezitsdrang, kortom de logica van het bezit, het eigendom, het eigenaarschap en de toe- en onteigening. Toch loopt finalis synchroon met de musealisering. Het laat de dingen voor het eerst als historisch document tout court verschijnen. Dat neemt niet weg dat de bedreiging door het finale provincialisme (‘ik heb niks met dingen die ideeën verheerlijken waar ik niks mee heb’) permanent aanwezig is.
Een voorbeeld: de wereldtentoonstelling van 1897 in Brussel en de bouw van het ‘Koloniënpaleis’ (op instigatie van Leopold II, eigenaar van de Congo, geopend in 1910, later genoemd het ‘Afrikapaleis’) in het nabije Tervuren namen een voorbeeld aan de Internationale, Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling op het Amsterdamse Museumplein (toen nog een vlakte) dat in mei 1883 van start ging op initiatief van een Fransman, die daartoe Belgische geldschieters had gevonden. Er waren, zo stelde dagblad De Tijd, ‘echte Arowakken en boschnegers rechtstreeks uit de binnenlanden van Suriname geïmporteerd’ en de toeloop was enorm.
De Brusselse tentoonstelling bevatte tal van attracties, waaronder menselijke dierentuinen waarin Congolezen gedwongen werden ‘Afrikaanse dorpen’ te ‘bewonen’. Van de 267 figuranten overleden er zeven ter plekke. Een brede laan en een tramlijn verbonden het park met het hoofdstedelijke Jubelpark, zodat het een komen en gaan was van dagjesmensen. Een Belgische krant noteerde indertijd: Het heeft zelfs iets redelijk vernederends voor de mensheid, te zien hoe deze ongelukkigen, op die manier tentoongesteld, overgeleverd zijn aan de soms navrante en ook vernederende reacties van de blanken, die zich naar een nieuw spektakel haasten.** Na de Congolese onafhankelijkheid werd het ‘paleis’ omgedoopt tot het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika. Dat museum zou op de duur wegkwijnen als een tijdscapsule vol opgezette dieren, bodemstalen, koloniale meuk en etnografische voorwerpen uit Congo. Toen de schaamte over het koloniale verleden ook vaardig werd over het museum, werd het geheel als verouderd en achterhaald afgedaan, en ontstond een renovatie waarin ‘het gedekoloniseerde Afrika’ het onderwerp diende te zijn ‘in een museumgebouw met een koloniaal verleden’. De mottig geworden koloniale visie was de Belgen te pijnlijk; het schandaal moest uit beeld.
Iets dergelijks gebeurde ook in Nederland. In 1935 werd in Amsterdam een monument onthuld dat werd opgedragen aan de koloniale ijzervreter Van Heutsz, die in het sultanaat Atjeh met veel geweld een langdurige opstand neersloeg. Zijn zoon*** nam hij als lid van de Germaansche SS in Nederland de moeite in een brief aan de Amsterdamse burgemeester Edward Voûte te stellen dat hij het monument te weinig krijgshaftig vond en liever verwijderd zag. In 1967 en 1984 werd hij bijna op zijn wenken bediend, maar pas in 2004 werden de verwijzingen naar Van Heutsz verwijderd. Het werd omgedoopt tot Monument Indië-Nederland 1596-1949.
*) Bron: Van Steen, Paul (2013) Ware grootheid, schamele kleinte p. 91
**) Il y a même quelque-chose de passablement dégradant pour l’humanité, à voir ces malheureux ainsi parqués, livrés aux réflexions parfois navrantes et dégradantes aussi, des blancs qui accourent au nouveau spectacle – Le National, 10 juli 1897
***) Johan Bastiaan trad in de soldateske voetsporen van zijn vader, en verruilde als overtuigd ‘volkssocialist’ zijn bestaan als tropengeneesheer voor de strijd aan het Oostfront. In mei 1944 ontving hij daar als SS-Obersturmbannfuehrer het IJzeren Kruis 1ste klasse.
The text above is part of a preview of a book (in progress) by Leon Dessau, titled Homo Finalis.
More info on the mainpage. Unless indicated, all imagery on this site is AI generated, prompted in 2025 by Leon Dessau
Images: creative commons / copyright on text by Leon Dessau