Finalis als Assepoester

[HF20251216-18:homo_finalis_op_de_catwalk]

Ooit maakten kleermakers kleding op bestelling en op pasmaat, als ze al niet bezig waren met het herstel van kledingstukken. Niet hun arbeid maakte een kledingstuk kostbaar, maar het textiel dat erin verwerkt werd – die verhouding tussen materiaal en arbeid was tot de twintigste eeuw bepalend. Kostbare materialen demonstreerden middelen en dus macht. Kazuifels met goudstiksel, henins met ragfijne stof, kaproenen met kostbare kleuring, molensteenkragen met meters kant: zulke kledingstukken toonden onverbloemd status, louter door de materiéle waarde van de gebruikte stoffen. Met de renaissance kwam dat model in Europa onder druk te staan, en dit herhaalde zich nog eens in de negentiende eeuw, toen de bourgeoisie, bohemiens en dandys het aristocratische voorbeeld overtroffen, terwijl de grand magazins en tenslotte de kleinere boutiques de prêt-à-porter introduceerden. Industrieel vervaardigde kleding werd in vaste maten en met afleesbare prijzen aan de man gebracht. Modehuizen, voorheen gevangen in de beperkingen van de Haute Couture, zouden zich tenslotte ook ontfermen over dit verschijnsel van klaar-om-te-dragen. En uit de praktische dracht van de arbeider, de sport- en badkleding en de futuristische fantasie ontstond iets heel nieuws: de moderne kleding. Finalis lijkt -als men afgaat op de modebladen- uitzonderlijk modieus en voortdurend in voor verandering. Dat is zijn zelfbeeld, en als dat zelfbeeld moet worden opgepoetst is finalis tot alle uiterlijk vertoon in staat. De werkelijkheid is anders. Was zwarte kleding in het Europa van de zeventiende Eeuw nog een teken van rijkdom, sinds het existentialisme proclameerde dat het leven geen zin heeft, werd begrafeniskleding bon ton. Die donkere grauwsluier ontstond vanuit het zwart-wit van rond 1910, en werd overheersend. De grauwsluier schoof door naar daklozenmode: afgezakte of te ruime of zelfs opzettelijk kapotte broeken, schoeisel dat pijn doet aan de ogen, opzichtig idiote combinaties. Finalis lijkt zijn eigen begrafenis te bezoeken, als dakloze of clown, en dus als zichzelf.

Opvattingen over wat schoonheid zijn altijd al sterk aan verandering onderhevig geweest. In het Westen zijn modellen die dergelijke opvattingen moeten ondersteunen, in de loop van de tijd steeds meer gaan lijken op verwende kinderen die boos zijn geworden nadat ze werden uitgemergeld door een hongersnood, over hen afgeroepen door jaloerse dikkerds die graag hadden gezien dat ze ook zelf konden passen in kleding die lijkt te zijn ontworpen voor jongens en meisjes die dit wel door hebben, en daarom met balsturig sjagrijn de catwalk bewandelen alsof ze helemaal alleen naar het robotfeestje moeten en denken ‘Het leven wordt zwaar overschat’. In de beauty-industrie is het verveelde kind in de mens de baas, terwijl het lijkt alsof er hard gevochten wordt tegen de indruk dat iemand vermoeid is, lusteloos en uitgeblust, klaar met het leven. Dat laatste is juist het verdienmodel. Voor wie klaar is met het leven is er immers de mode nog. In alle uithoeken van die industrie wemelt het van intelligente uitzonderingen (zoals Alexander mcQueen en Tadashi Yanai’s Unique Clothing Warehouse) maar helaas bepalen die uitzonderingen het straatbeeld niet. De finale mens heeft feitelijk geen boodschap aan de mode, hij is er te vermoeid voor en wie klaar is met de wereld is ook klaar met modische opwinding – denkt finalis, heimelijk, terwijl hij wel degelijk gefascineerd is door de spiegel die hem hier wordt voorgehouden. Als finalis al keizer, prins of princes zou kunnen zijn, dan slechts voor één nacht. Het symbool van dit aspect van de finale wereld is het glazen muiltje, de illusie die wordt achtergelaten zodra de werkelijkheid weer vat krijgt op de dingen. Bleef het daar maar bij. Buiten de catwalk wordt door miljoenen vrouwen de blik van de mannequins overgenomen ten gevolge van de idee-fixe dat ze op een gratenpakhuis moeten lijken, en eerst dàn gelukkig kunnen zijn, of begeerlijk. Vreemd is dat niet als de industrie het voor mode-ontwerpers onmogelijk maakt om ècht maatwerk te leveren, terwijl de werkelijkheid vooral overgewicht bevordert.

The text above is part of a preview of a book (in progress) by Leon Dessau, titled Homo Finalis.
More info on the mainpage.
Unless indicated, all imagery on this site is AI generated, prompted in 2025 by Leon Dessau
Images: creative commons / copyright on text by Leon Dessau

Posted in