“Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten”

Above: AI-generated image, 2025

[HF20251218:de-lijfstijlkerk]

Voor finalis speelt de ellende op de wereld zich af op een andere planeet. Ook als de ellende dichtbij komt, volhardt hij in de naïviteit en overtuiging (al dan niet gespeeld) dat het hem allemaal niet aangaat en dus niet raakt. De wereld raakt hem niet echt, maar hij doet graag alsof, bijvoorbeeld door achter ‘het nieuws’ aan te lopen en zo verstrengeld te raken in een web vol koude opwinding. Dus betreurt hij de ene genocide, maar niet de andere, en ziet hij oppervlakkige emotionele resonantie als deelname. In dat alles blijft hijzelf een godheid die buiten de wereld staat en haar hoofdschuddend aanziet. Voor het overige blijft hij trouw aan de diplomatieke corruptie en corrupte diplomatie van de taxichauffeur die kan zeggen: ‘God vermoedt het, de heerser weet het, en ons gaat het niets aan’. Maar waar staat finalis dan wèl? Nu God niet langer bestaat, volgt finalis de sensatie die door dichter Willem Kloos, land- en tijdgenoot van Van Gogh, werd verwoord in de beroemde openingszin van zijn Verzen uit 1894: “Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten”. Finalis is de radicale humanist die God niet langer nodig heeft, en genoeg heeft aan een kerk die hem leert te geloven in zichzelf – terwijl dat laatste een onmogelijkheid is, want finalis is nu eenmaal de Laatste Mens, een menstype dat zichzelf (op een gegeven moment) met een druk op de knop kan wegvagen. Gespeeld geloof (lidmaatschap van een club), gespeelde naïviteit (noem het smaak) en gespeelde overtuiging (noem het een mening) zijn tenslotte zijn handelsmerk. Trouw aan die innerlijke tegenstrijdigheid speelt finalis op zijn hoogste level een held van de zelfontkoppeling. Het hoort er wel bij (daarom heeft hij een baan en betaalt hij belasting), maar het gaat hem allemaal niet aan; hij wil zich niet laten bepalen door een omgeving die hij afwijst en trouwens evenmin door de afwijzing zelf, want context en consistentie zijn voor hem irrelevant. Zijn navel is hem genoeg, want het is de navel van de wereld. Die overlevingsstrategie heeft zowel sterke als zwakke kanten, maar finalis kiest duidelijk voor de sterkere. De kosten van de zwakkere kant van zijn houding keren dus als een boemerang bij hem terug: hij is niet geïnteresseerd in zijn omgeving, maar zijn omgeving wel in hem. Van de man die niet wil jagen, verandert hij daarmee in een weinig kansrijke prooi. Zijn zelfbewondering keert zich daarin tegen hem: het maakt hem bespeelbaar. Zijn wereld heeft daartoe een fijnmazig vangnet ontwikkeld: de lijfstijlkerk en haar vele denominaties. Die kerk bepaalt niet eenvoudig een manier van leven, maar het menselijke leven zelf, en dat op een allesdoordringende en vasthoudende manier. Het geloof dat erin verdedigd wordt, doet zich voor als consequentieloze keuzevrijheid. De kerkdienst bestaat uit shoppen op de identiteitenmarkt, tussen verteringen, kleding, accessoires en decoratie. De tragiek van de finale mens is misschien wel dat hij zo hersenloos leeft dat hij zijn consequentieloze keuzemenu houdt voor een leven à la carte of zelfs vrijheid. Wat begon als levensstijl, ofwel een kenmerkende manier van leven van een individu, groep of (sub)cultuur, is in de laatmoderne variant de motor geworden van vele naast elkaar levende tribale clusters die leven in verschillende werelden waarin de vaste gestalten sneller uiteen dan de tijd die nodig was om ze tot vorm te brengen. Hun werelden zijn ‘vloeibaar’ (Zygmunt Bauman) en ‘schuimend’ (Peter Sloterdijk) geworden, en men herkent elkaar zoals mieren: aan de nestgeur, de specifieke codes die consumptief en micropolitiek (*) genoten en gedeeld worden. Men is, bijvoorbeeld, trumpist of swiftie, of allebei, en alles is met alles verbonden: de westerling die hoemoes prefereert boven aardappelen, rijdt waarschijnlijk hybride, maar geen Tesla, enzovoorts, enzovoorts. Dergelijke levensstijlgroepen, verankerd in verdienmodellen en filterbubbels, vormen het sociale etsende zuur dat alle klassiek-modernistische illusies van homogeniteit uitholt, terwijl het daarbij juist ook om sociaal-economische strategische interventies ging. Wat de klassiek-modernistische illusies lijkt op te lossen, is dus eerder een verdere verfijning van hetzelfde. Dit correspondeert met een steeds verdere compartimentering van de fysieke en psycho-sociale ruimte, waarin de dingen (om Durkheim te parafraseren) met eenzelfde soortelijk gewicht op de geldstroom drijven.

The text above is part of a preview of a book (in progress) by Leon Dessau, titled Homo Finalis.
More info on the mainpage.
Unless indicated, all imagery on this site is AI generated, prompted in 2025 by Leon Dessau
Images: creative commons / copyright on text by Leon Dessau

Posted in