Being sluggy

Above: AI-generated image, 2025
[HF20251222-24-27-20260208:dandy_naaktslak]

Homo finalis is een menstype dat ontstaan is gedurende de industrialisatie, het industriële kapitalisme en de neveneffecten daarvan, zoals de bevolkingstoename, verstedelijking, en de vervanging van hout en paarden door delfstoffen en fossiele brandstoffen. Twee ondersoorten van finalis vallen het meest op: de proleet en de dandy. Waar de proleet vermalen wordt in de tredmolen van de georganiseerde arbeid, neemt de dandy een aristocratische pose aan. Toch leek het proletariaat, zoals door Marx omschreven, nauwelijks iets van doen te hebben met die laatste figuur. Maar niets is minder waar. Waar het proletariaat alleen nog kinderen had om zich een plek in de wereld te kunnen veroveren, daar had de dandy alleen zichzelf.

Leven en sterven voor een spiegel – dat was voor Charles Baudelaire het motto van de dandy, een verschijningsvorm waarmee de dichter zelf vertrouwd was. De dandy staat, van nature, altijd in oppositie; zijn spiegel vervangt de gebruikelijke sociale spiegel, die hij als zuigende leegte ervaart. Evenals de oude adel doorziet hij de nieuwe ‘meritocratie’, die haar gebrek aan richtingsgevoel en gebrek aan sensibiliteit voor kwaliteit (wat vrijwel hetzelfde is) verbergt achter priviliges die vooral beveiligd moeten worden – de bourgeoise metafoor daarvoor is het huis, niet opgevat in aristocratische zin, maar in de letterlijke, burgerlijke zin. De bourgeois beveiligd zijn privileges door ze anderen te ontnemen: de leprozen en andere varianten van de naakte mens slapen ’s nachts buiten de stad, als de poorten gesloten zijn. Terwijl de bourgeois het leven van de ander saboteert, wijst hij de ander als saboteur aan – een eigenaardigheid die vooral dan optreedt als hij de ander georganiseerd ‘hulp’ verleent. De ontvanger van georganiseerde ‘hulp’ dient dan wel zijn zelfrespect in te leveren, al was het maar doordat bij hem een schuldgevoel geïnstalleerd wordt: hij staat in het krijt.
Die verstikkende, angstige leegte van de bourgeoisie is voor de dandy onleefbaar, zodat hij haar bestrijdt met een andere leegte: hij verzet zich met esthetische middelen (en dus met kwaliteit) tegen de sociale vergelijking en schept zichzelf een plek in de wereld. Daarin is de dandy een vooraankondiging van wat Nietzsche noemde ‘de vrije geest’, de Freigeist die zo genoemd wordt ‘omdat hij anders denkt, als dat men van hem op grond van zijn afkomst, omgeving, stand en ambt of op grond van de heersende tijdsbeelden verwacht’ (II 584f: 216).
De anderen, dat wil zeggen zij die zich spiegelen aan anderen, houdt hij een spiegel voor van geheel eigen makelij: het is zijn eigen, excessieve verschijningsvorm. Daarmee is hij ertoe veroordeeld de provocatie en het exces te zijn van de bourgeoise leegte: hij is juist buitenkant en pure vorm. Als anomalie is hij de bespotting van de burgerlijke arbeidsmoraal en het verzekerde curriculum.
Toch is de dandy, evenals de bohémien, wel degelijk een trawant van homo finalis, zoals (deze heb ik van de grote geest Kristofer Schipper) de daoïst een sloffend, overdag in pyjama lopend commentaar op het confucianisme is. Waar de traditionele orde (patriarchaal, hiërarchisch, op eigendom gericht) zichzelf ontregelt omdat het niet in staat is zichzelf als bestendig succes te bewijzen, exploiteren de daoïst en de dandy gemeenschappelijke grond. Een belangrijke hevel in dit verhaal is het moderne spel met wonen. De ware daoïst en de ware dandy zijn althans in overdrachtelijke zin kinderloos en maken het zich ogenschijnlijk onmogelijk om ook nog ergens op aarde te kunnen wonen – tenzij onder een brug, of in een kluizenaarshut. Hier moet, hoe onwaarschijnlijk, worden uitgeweken naar Friedrich Engels. De geestverwant en steunpilaar van Karl Marx. Engels heeft erop gewezen dat vermarkting en regulering van huisvesting een cruciaal onderdeel van het kapitalistisch bestel vormen. Het belangrijkste doel van het kapitalisme is immers het creëeren van schaarste, want overvloed laat zich niet vermarkten. De mogelijkheid tot huisvesting (wat iets anders is dan wonen in Heideggeriaanse zin) wordt door het kapitalisme omgevormd tot een voorrecht dat alleen door geldelijk vermogen kan worden verkregen. Men werkt om te kunnen wonen en wie niet werkt, zal niet wonen – is het devies. Die stress bereikte in de 21ste eeuw een superlatieve vorm, niet toevallig omdat er voor het eerst meer mensen in steden woonden dan op het platteland, terwijl de omvang van de wereldbevolking begon te pieken. Daar waar de kosten van huisvesting sneller stegen dan het gemiddelde jaarlijkse beschikbare inkomen, zagen jongvolwassenen zich ertoe gedwongen of ertoe verleid om het daten, trouwen en krijgen van kinderen… op te geven. Dat lijstje werd uitgebreid met het opgeven van eigenwoningbezit en zelfs het opgeven van interpersoonlijke relaties. Die (dandyistische) tendens trad in de 21ste eeuw ook tevoorschijn in landen met een vanouds confucianistische traditie: het wekte een daoïstische reflex op.
In 2017 zei 74% van de Zuid-Koreaanse volwassenen dat ze ten minste één ding hadden opgegeven – namelijk trouwen, daten, vrijetijdsbesteding, huisbezit of een ander aspect van het leven – vanwege economische moeilijkheden.* In Japan identificeert ruwweg een kwart van de jongvolwassenen zich als de ‘terugtrekkende generatie’ (satori sedai), een term die voor het eerst werd gebruikt in 2010.
Het wordt gekenmerkt door een pessimistische houding ten opzichte van de toekomst en een gebrek aan materieel verlangen.* In China werd die houding gedefinieerd als ‘platliggen‘ (tang ping). In plaats van op te branden in het najagen van traditionele gezinswaarden en het bezit van een appartement, geven de platliggers ook conventionele overgangsrituelen op, zoals trouwen of kinderen krijgen. De levensstijl leidde op een social media platform tot een manifest waarin het platliggen aldus werd omschreven: ‘Ik zal niet trouwen, een huis kopen of kinderen krijgen, ik zal geen tas kopen of een horloge dragen. Ik zal het op mijn werk rustig aan doen… Ik ben een bot zwaard om het consumentisme te boycotten.‘*
Inmiddels doet zich ook een hedonistische variant voor, een variant op de homo finalis finalis die meer op de bohémien en dandy lijkt: jongelui die zich geen eigen woning kunnen veroorloven en toch een betaalde baan hebben, geven hun geld uit aan restaurants en kledingboutiques. Ik ken jongvolwassen Amsterdammers die zich de verfijnde kleding van Camiel Fortgens, culinair dineren bij Yotam Ottolenghi, en andere uitingen van een hoogstaande materiële cultuur kunnen veroorloven, omdat ze een goedbetaalde baan hebben èn nog bij hun moeder wonen. In plaats van hun geld uit te geven aan wonen, geven ze hun geld uit aan goed leven. Voor anderen lonkt de schuldenfabriek met haar legitieme afperserspraktijken: geld lenen met hoge rentes, gevolgd door incassobureaus en deurwaarders. Hun stad wordt bezocht door hordes collega’s die zich in dezelfde situatie bevinden, maar hier hun geld uitgeven. Hier is de wereld van finalis zèlf dandyistisch geworden, en niets meer wat het lijkt. Wie zich een verfijnde levensstijl aanmeet, kàn tegelijkertijd zo goed als dakloos zijn, dat wil zeggen de menselijke variant op een naaktslak (Eng.: slug, niet te verwarren met snails die wèl een huis bezitten).
Toch is dit alles geen abnormaal randverschijnsel in de wereld van finalis. Dat finalis dakloos is, vertegenwoordigd een door finalis gewilde metafoor. Finalis doet het zichzelf aan, of hij dit zichzelf nu bewust is of niet. Ook hier brengt hij zichzelf door zelfsabotage in een toestand die zich eindelijk laat ervaren. Eerst wie deze finale werking van zijn geest begrijpt, begrijpt iets van de mens die hij is. Wat finalis met zijn dakloosheid wil ervaren, is dat hij geen thuis heeft. De wereld is hem vreemd geworden, en hij wil via de realiteit ervaren en doorgronden hoe dat zit – een zeer westerse omweg. De keerzijde van zijn zelfsabotage bestaat uit onverschrokken heroïek. Wie meent dat finalis slechts een loser is, een sukkel die het allemaal niet begrijpt, moet hier zijn mening bijstellen. De pijn van dakloosheid leert de nobele mens die diep in finalis verscholen zit, dat hij wil wonen, zich op aarde thuis wil voelen. Het leert die homo nobilis in hem niet alleen een naaktslak te zijn, maar een nieuw soort heremietkreeft – een mens die sterk genoeg is om de vrijheid te bewonen, om de vrijheid aan te kunnen. Daar ontmoet hij een blik die de wereld eerst voor hem opent, in plaats van sluit. Die kracht zal hij spoedig nodig hebben, want juist hier zal AI hem tarten in een wereld die zich de vrijheid van miljardairs denkt te kunnen veroorloven, maar hem in plaats daarvan doorzaagt over paupers die gedwongen werden tot migratie

*) Bron: Sophie Jeong, CNN Business. 29 augustus 2021

The text above is part of a preview of a book (in progress) by Leon Dessau, titled Homo Finalis.
More info on the mainpage.
Unless indicated, all imagery on this site is AI generated, prompted in 2025 by Leon Dessau
Images: creative commons / copyright on text by Leon Dessau

Posted in