Het finale theater van de macht

[HF20260103/06-0206:het_finale_theater_van_de_macht]

Met de komst van sociale media en andere tentakels van de digitale technologie werden vrije tijd en arbeid één vloeiende finale tijdruimte, gekoloniseerd door een aandachtseconomie, een term bedacht door econoom en cognitief psycholoog Herbert A. Simon. Hij beschreef die toestand in 1971 als een gebrek aan aandacht door een overvloed aan informatie, die zelf weer ‘de noodzaak creëert om aandacht efficiënt te verdelen over de overvloed aan informatiebronnen die de aandacht zouden kunnen opeisen”.
Het ‘zelf’ zoals dat spontaan door het leven heen sijpelt, moest tegelijkertijd wijken voor het merk ‘zelf’, een lastdier met een oeuvre of curriculum vitae, geen brandende danser die zich verheft boven een waterval, geen dier dat zich verbergt in een hol. In die toestand worden zelfs relaties onderdeel van het individu als een project van zichzelf. Het spel en het speelse (spontaan, intuïtief, ongedwongen en ondoelmatig) sneuvelde als eerste op dit slagveld van de als zelfontplooiing gemaskeerde zelfcontrole en zelfdomesticatie. Ook arbeidsituaties werden door hetzelfde motief gekoloniseerd: collega’s moesten vrienden worden, arbeid een deugd en een hartstocht.
Het cement van deze brokkelige toestand diende zich aan in de vorm van bonding- en healingsessies, therapieën, interimmanagers, coaches en mediators. Waar dat niet hielp, waren er voedingssupplementen en andere vormen van kwakzalverij, of openlijke dressuur in de vorm van arbeidskampen en ‘functioneringsgesprekken’ waarin niet het gedrag van leidinggevenden, maar dat van werknemers aan de orde kwam. De feitelijke afwezigheid van het autonome individu werd dus bekrachtigd door een industrie waarvan het hoofdproduct bestond uit verschillende gradaties van vernedering en infantilisering, een aspect van de menselijke conditie dat al werd aangekondigd in Huizinga’s tijdskritiek Homo Ludens (de ‘spelende mens’) uit 1938.
Het typische fenomeen daarvan is evenwel de clown, die een al veel langere geschiedenis heeft. In een wereld die idioot geworden is, maar stelt te draaien om competentie, komt de clown overal mee weg. Met zijn verdachte kapsel, malle petje en bespotting van vormelijkheid (denk aan Tommy Cooper) is de clown niet slechts komiek, maar ook een heraut van politieke oplichterij. Niet de doordachte strategie en subtiele expertise hebben daarin voorrang, maar de decreten van een luimige keizer. Huizinga beschreef in zijn Homo Ludens hoe het politieke bedrijf van zijn dagen een appetijt voor machtsvertoon en politionele trekken ontwikkelde, plus een ‘verregaande engdenkendheid en onverdraagzaamheid tegenover niet-groepsgenoten, de mateloze overdrijving in lof en blaam, de toegankelijkheid voor elke illusie die de eigenliefde of het beroepsbesef vleit. Veel van deze pueriële trekken vindt men ook in vroegere beschavingstijdperken ruimschoots vertegenwoordigd, doch nooit in de massaliteit en met de brutaliteit waarmee zij in het openbare leven van heden zich breed maken.’ (…) De laatmoderne finalis omhelst in de staatsclown vooral het voorbeeld dat men zich eindelijk schaamteloos van alle beschaving kan ontdoen, hoezeer de staatsclown ook opvalt door zorgvuldig getrimt of gekamd hoofdhaar.
Er is veel tegen beschaving te zeggen, maar de schaamteloosheid waarmee zij vervangen wordt door een nieuwe vorm van misdadigheid is, helaas, vooral destructief in een wereld waarin sociale ongelijkheid en ecologische ontwrichting misdadige proporties heeft aangenomen.
In die wereld geldt alleen nog het recht van de sterkste, en erger nog de criminele geest waarover Roberto Saviano in zijn ‘La Parola contro la camorra‘ uit 2010 wist:

Waar het om gaat bij deze lieden, is dat ze laten zien dat iedereen slechte kanten heeft, dat we allemaal vuile handen hebben, dat we allemaal maar twee dingen willen: macht en daarmee roem en geld, en vrouwen. Of mannen, natuurlijk. Als echter bekend wordt dat ze wellicht niet die heiligen of helden zijn, maar mensen van een ander kaliber, met al hun tegenstellingen, dan worden ze zenuwachtig, dan worden ze bang. (…) toch is er altijd wel iemand [-] die maar één belangrijk doel voor ogen heeft: laten zien dat we allemaal even walgelijk zijn, dat we allemaal zwakkelingen zijn en dat er uiteindelijk wel een sterke macht móét zijn die ons leidt. Als je deze boodschap eenmaal in het watermerk van de criminele organisaties leest, ga je inzien dat dit soort neocynisme in werkelijkheid over is. De maffia’s gaan er alleen op een directere, meer concrete manier mee om.’ (*)

De wereld van finalis lijkt in alles uit op de depolitisering van het maatschappelijk leven, omdat het de Bühne reserveert voor politieke oplichters, zoals de staatsclown, die vaak verrassend eenvoudig herkenbaar is. Tegelijkertijd echter, politiseert de wereld van finalis alles, ook het meest obscene.
Het verwart het politieke bedrijf met het bedrijven van politiek; presenteert politiek als een irrationele ondermijning van rationeel gepresenteerde economische belangen; draagt het idee uit dat de wereld het toneel is van een oorlog van allen tegen allen die alleen door de economische denkwijze (doelmatigheid! winstmaximalisatie!) gepacificeerd kan worden, omdat de politiek altijd neerkomt op een voortzetting van conflicten. De finale pseudo-depolitisering rijmt op de atomisering van het finale niemandsland: het is ieder voor zich en iedereen staat los van de ander. In die sfeer van negatief conformisme wil niemand iets met ‘de politiek’ van doen hebben, en zich zelfs niet vermaken met de hogeschool van het theater (zelden woest interessant, toch vaak vermakelijk) dat elk politiek bedrijf nu eenmaal biedt. Het resultaat is een kudde die geleid wil worden, liefst door wolven. Niet om kwaad te spreken over wolven, maar hun blik is makkelijk herkenbaar – behalve voor het finale kuddedier dat zegt afkerig te zijn van de kudde, maar eenzaam verdwaald en oriëntatieloos een makkelijke prooi is. De staatsclown (en menner) hoeft in die omstandigheid maar iets eenvoudigs te beloven: de veilige omgeving van een gemeenschap die banger is dan alle andere gemeenschappen, terwijl men de eigen culturele onzekerheid op de ander projecteert. Angst is de grondstof waaruit de staatsclown zijn clowneske imperium boetseert.

*) Roberto Saviano, La Parola contra la camorra. Ned. vert. Elke Persa, 2010, p. 48-49

The text above is part of a preview of a book (in progress) by Leon Dessau, titled Homo Finalis.
More info on the mainpage.
Unless indicated, all imagery on this site is AI generated, prompted in 2025 by Leon Dessau
Images: creative commons / copyright on text by Leon Dessau

Posted in