Het gemeenschappelijk geconsumeerde

[HF2026.01.03: het gemeenschappelijk geconsumeerde]
De finale wereld is dermate doordrongen van de macht van de wetenschap, dat de ‘ verwondering’ er kon wijken voor een jongere versie van de verbijstering. Er zijn nauwelijks nog wonderen, of het moet zijn het ‘medisch wonder’ dat wordt gedestilleerd uit toeval en serendipiteit, verschijnend als een staking van de wetenschap. Waar de Brugse ingenieur en wiskundige Stevin al in 1586 noteerde dat ‘er in de Natuur niets wonderbaarlijks is’, zodra het wonder begrepen kan worden. Spinoza zag (later) eenvoudig een gebrek aan kennis, iets voor simpele geesten. Het wonder leek langs wegen van redelijkheid en skepsis gaandeweg op te lossen in kennis. Toch speelde ook toen al de kracht van de verbeelding, en de beperktheid van verstand, terwijl beiden spelen met de docta ignorantia, de beperking van wat we kunnen weten of ons voor kunnen stellen. De vuurspuwende draken en andere spektaculaire machines die Da Vinci voor zijn broodheer Lodovico Sforza ontwierp, waren even wonderbaarlijk als ingenieus, maar het ging om dat laatste, zoals een illusionist speelt met een tijdelijke staking van het weten door een ongebruikelijk gebruik van wetenschap. De activering van de verbeeldingskracht werd in de negentiende eeuw in belangrijke mate overgenomen door het spektakel, dat nu juist, zoals de goochelaar, gebruik maakt van kennis. De Londense shows rond het onttakelen van Oudegyptische mummies, de electriserende hocuspocus van Franz Mesmer, Mary Shelley’s Frankenstein en de verbijsterende demonstraties van Erik Weisz (Houdini) kwamen allen voort uit dezelfde nieuwe omgang met verwondering. Dat markante aspect van de vroege finalis groeide uiteindelijk uit tot een typisch kenmerk van zijn karakter.
Guy Debord wees er in zijn pamflet over de spektakelmaatschappij (1976) op, dat het spektakel ook een nieuw economisch beginsel introduceerde: niet het feitelijke eigendom is daarin het belangrijkste, maar de verschijning van het product zelf. De waarneembare werkelijkheid wordt daarbij vervangen door een illusionistische variant, een geheel van simulaties die de oude scheidslijnen tussen ‘echt’ en ‘onecht’ kunnen doen vervagen, omdat ze zijn onderworpen aan het op zichzelf illusoire spelbord van de geldeconomie. Het alledaagse leven, betoogde Debord, werd door deze constellatie gekoloniseerd, en wel zodanig, dat de passieve identificatie met het spektakel de plaats inneemt van een werkelijke activiteit. Debord pleitte ervoor deze situatie te ‘kapen’ of ‘kraken’, door de innerlijke logica van het maatschappelijke spektakel in een omkering (‘détournement’) tegen zichzelf te keren. Dergelijke ‘situationistische’ ingrepen zouden de ‘culturele homogenisering’ en onkritische consensus tot stoppen dwingen. De intensivering van deze toestand zou uiteindelijk het punt kruisen waarop het kapitalisme, zoals Jean Baudrillard in navolging van Georges Bataille betoogde, verlangen produceert naar producten waarvan men niet eens wist dat men er naar verlangde. Finalis finalis, het laatste stadium van homo finalis, gaat nog eens stap verder: in zijn wereld consumeert de consument een verlangen naar producten die hij welbeschouwd niet eens nodig heeft. Mede daarom treft de consument geworden mens de consumentenhemel als een negatieve leegte: er ontbreekt iets. Hij ontdekt eindelijk het doel van dit verlangen, èn het verheimenlijkte doel van het kapitalisme: behalve schaarste en tekort produceert het ook het grootste wonder van alle raadselachtige wonderen die een mens kan kennen. Gemeenschap, of beter gezegd het gevoel ergens bij te horen (wat niet hetzelfde is als de hegeliaanse ‘erkenning’ of Marx’ idee van een praktische ‘opheffing’ van de ‘vervreemding’ door de kapitalistische wareneconomie en prodctiewijze) is de werkelijke inzet van de kapitalistische productiewijze. Daarom ook zal die manier van productie zichzelf niet overleven.Daarom ook is het fascisme (met haar simulatie van een ‘gemeenschap’ die zich afgrendeld van de reëel bestaande wereldgemeenschap) niet alleen een intensivering van het nationalisme, maar ook een voortzetting van het kapitalisme met andere middelen. Ook de schijngemeenschap van branding, als belicht door Naomi Klein, heeft geprobeerd het wonder nog éénmaal te verrichten, maar ook dat mondde uit in de negatieve leegte van een eenvoudig te ontmaskeren fictie. Een van de grootste ironische bewegingen van de geschiedenis is nu, dat uitgerekend dit ‘kapitalisme’ bezig is om met injecties van duizenden miljarden dollars zichzelf te beëindigen, in de veronderstelling dat de investeringen zullen terugvloeien in dezelfde economische structuur die aan de uitkomst van deze historische transformatie ten onder zal gaan. Die ironie mag een wonder heten: finalis finalis zie toe hoe het kapitalisme bezig is zichzelf op te heffen, en hij heeft niet eens door wat er aan de hand is. Want hoe kapitalistisch of ‘fossiel’ hij ook denkt te zijn (‘drill baby, drill!’) aan zijn wereld komt een einde. Een vlag planten op vreemde bodem zal daar niets aan veranderen. Uiteindelijk blijkt het verlangen naar gemeenschap wat het altijd was: behalve een teken van het ontbreken van een feitelijke gemeenschap is het ook een verlangen naar het gemeenschappelijk geconsumeerde spektakel van de gemeenschap als een spektakel dat gemeenschappelijk geconsumeerd kan worden. Onder die omstandigheid is erkenning niet eens nodig: men hoort erbij door iets aan te kopen.
In het post-christelijke westen (*) ‘is de democratische èn elitaire ethiek door de eeuwen zover geëvolueerd dat het zich kon permitteren te zeggen: zonder iemand uit te sluiten. Maar wat als uitsluiting de grondslag is van deze wil tot insluiting, zoals in het Romeinse recht het geval, zoals door Giorgio Agamben aangetoond?
*) Simon Stevin, Beghinselen der weeghconst, 1586
**) Europa en (dus ook) de Verenigde Staten staan juist voor het verlaten van de historische ruimte die zichzelf verstond als de ‘Christenheid’. Elke poging tot terugkeer naar die toestand is een posthistorische farce, evenals de uitvinding van de idee ‘judeo-christelijke beschaving’. Zie voor dat laatste het grondige onderzoek van Deborah Dash Moore, GI Jews: How World War II Changed a Generation, 2004.
The text above is part of a preview of a book (in progress) by Leon Dessau, titled Homo Finalis.
More info on the mainpage.
Unless indicated, all imagery on this site is AI generated, prompted in 2025 by Leon Dessau
Images: creative commons / copyright on text by Leon Dessau