2026 januari 7

[HF20260107:finalis-als_nostalgicus:duurzaamheid]

De finale nostalgie is zonder graten of botjes en van de nieuwste gemakken voorzien.
Het melancholische besef van vergankelijkheid dat ooit ten grondslag lag aan de nostalgische treurnis om het verlies van wat ooit is geweest, is bij onze held homo finalis verruild voor een dubbelhartigheid die zowel omhelst als afwijst. Finalis, de kampioen van de korte-termijn-denkwijze, heeft in werkelijkheid geen ontzag voor de tijd, en dus ook niet voor ouderdom, robuustheid, patina, anciëniteit of historische integriteit. Als er al restanten van het verleden gered worden, dan om te worden behouden als voorwerp voor ramptoerisme en seculiere bedevaart: het trekt mensen aan en brengt geld in het laatje – anders zou de oude meuk al lang zijn opgeruimd.
De toekomst kan alleen iets zijn, alleen dan omhelst worden, als ook het heden en het verleden meezingen, maar voor finalis gaat het om wat anders: hij zoekt de troost dat het vóór hem allemaal niet zoveel voorstelde, terwijl het ná hem en zonder hem niks meer kan worden. Met die vermeende grootsheid bevindt hij zich op het hoogtepunt van de geschiedenis, ja hij is het hoogtepunt van de geschiedenis. Hij ziet zichzelf niet als de dwerg die op de schouders van een reus staat; eerder kijkt hij op zijn voorgeslacht neer, want hun wereld is verdwenen en ‘achterhaald’ of zelfs ‘achterlijk’ en daarom verwerpelijk. Na hem kan het alleen maar slechter worden; daarom is hij de Laatste Mens.
Als hij al monumenten schept, dan louter om te imponeren qua schaal, omvang, gewicht. Niet omdat hij meent dat alleen die kwaliteiten het nageslacht zullen kunnen imponeren, maar om zichzelf mee te feliciteren. Zie: ik heb iets groters tot stand gebracht dan mijn voorgangers. Toch verraadt zich in het klakkeloze gebruik van oude vormentaal vooral het finale gebrek aan scheppingskracht. Doen alsof iets oud en eerbiedwaardig is, hoort bij het gebrek aan respect voor het oude en eerbiedwaardige, en het is opvallend hoezeer finalis de kunst van het doen alsof juist om die reden niet meester is.
De parvenu in hem begrijpt niets van wat hij kopieert. Nog opvallender is dat zijn constructies vooral de buitenkant aangaan. Voor zover zijn scheppingen worden geacht de tijd te trotseren, is dat alleen maar vanwege de ruïnewaarde, zoals Albert Speer het noemde. Finalis is niet geïnteresseerd in wat de tijd trotseert en solide, ofwel robuust is. Bestendigheid en soliditeit waren obsessies van de archaïsche mens, want diens antwoord op vergankelijkheid. Voor de nihilist die finalis is, is het onvergankelijke domweg onvoorstelbaar. Als hij denkt aan wat bestendig en solide is, denkt hij aan iets dat langer ‘duurt’ dan vandaag. Duurzaamheid (‘sustainability) drukt voor hem slechts de vluchtige idee uit van het robuuste. Daarom ook dat het verbeterd moest worden met de term ‘cradle-to-cradle‘ (*) maar ook daarin geeft finalis zich tevreden met incidentele, terloopse pogingen die geïsoleerd staan in het grotere geheel van wat hij produceert en door machines laat produceren. Nog steeds produceert geen enkel land en geen enkel internationaal bedrijf datgene wat zijn burgers of consumenten nodig hebben, zonder daarbij de biofysieke en ecologische limieten te schenden die door onze planeet zijn gesteld. Dat is homo finalis.

The text above is part of a preview of a book (in progress) by Leon Dessau, titled Homo Finalis.
More info on the mainpage.
Unless indicated, all imagery on this site is AI generated, prompted in 2025 by Leon Dessau
Images: creative commons / copyright on text by Leon Dessau

Posted in