2026 januari 9

[HF20260109:de-religieuze_dimensie_van finalis]
De religieuze achtergrond van homo finalis is pervasief (allesdoordringend en allesomvattend), ook als die zich nihilistisch manifesteert; zeker als het nihilisme in naam afgewezen wordt, zonder dat de nihilistische kern van een religie begrepen wordt. Vanuit dat laatste verklaarde televisie-dominee Jimmy Swaggart in 1988: ‘Dit is een goor, wild, verrot, kwaadaardig, goddeloos, obsceen tijdperk’.
Elke tijd kent z’n zedenmeesters die ons beleren over deugdzaamheid, kwaadaardigheid, zuiverheid, godsvrucht en boetedoening, maar in de desoriëntatie van finale tijden werden ze enigszins overbodig: van alle ziektes die finalis het meest ambieert, is hij het liefst patiënt van de morele zelfverheffing, terwijl hij – evenals Swaggart – discreet onderzoek doet naar het fascinerende dat besloten ligt in alles wat goor, wild, verrot, kwaadaardig, goddeloos en obsceen is. Daarbij gaat de aandacht vooral uit naar het publiek gezien ogenschijnlijk minst interessante domein, namelijk het private domein van de erotiek: men begint met God, maar eindigt via altijd onnavolgbare omwegen met de bijslaap of met nogal lichamelijke zaken zoals kleding, voeding en uiterst intieme details. Hier leiden de zedenmeesters slechts af van het meest pikante en aanstootgevende, dàt waar het werkelijk over zou moeten gaan. Voor wie roddel hoog heeft, mogen seksuele escapades dan wel interssant zijn, maar het publiek werkelijk meest stuitende, abjecte en schandalige domein is natuurlijk dat van de corruptie, het vermengen van zaken die in de grond van de zaak niet met elkaar van doen hebben. Het mengen van God met lust is er slechts één van.
De zelfverklaard religieuze mens (die meent hij hij in het volle bezit is van de religieuze ervaring*) heeft evenwel ontzag voor de ultieme menging van die twee in de aanmatigende godslust die hij aan zichzelf uitlegt als het verlangen naar samensmelting met het heilige: die versmelting is tegelijk de hoogste vorm en heiliging van corruptie. Een overtreffende trap is voor de zelfverklaard religieuze mens niet denkbaar, en hier verraadt hij zijn eigen aard en begrenzing. Homo nobilis, de nobele mens die aan finalis voorafgaat, maar hem ook zal opvolgen, ontkoppelt het heilige nu juist van zichzelf. De devotie van nobilis plaatst(e) het heilige ver buiten zichzelf en juist in die afstand begint zijn soevereiniteit (geen onderwerping, maar een absolute vrijheid) waarvan de omvang samenvalt met de vergroting van de afstand tot het heilige, tegelijkertijd samenvallend met de vergroting van het ontzag voor het heilige.
Toch wordt de kern van deze crisis niet gevormd door een conflict of collusie tussen het heilige en het profane, maar door een crisis in de verhouding tussen meester en knecht, een verhouding die in kern bepaald lijkt te worden door de verhouding tussen absolute vrijheid en totale onderwerping, valselijk gepresenteerd als een tegenstelling tussen goddeloosheid en vroomheid. Het hoogtepunt van die crisis is historisch aan te wijzen als het hoogte- en dieptepunt van de Franse Revolutie, en werd destijds niet opgelost, wat overigens ook onmogelijk zou zijn geweest, omdat de historische achtergronden een oplossing in de weg stonden. Er was immers nog geen sprake van een de facto verenigde mensheid. [-] Ook Bonaparte, heimelijk een vrijmetselaar, maar in vorm seculier, kon geen oplossing bieden waar Robespierre en Rousseau faalden. Het Duitse idealisme (in het bijzonder Hegel en Schelling) zag dit goed: alleen het doordenken van de verhouding tussen meester en knecht, vrijheid en onderwerping kon hier oplossing bieden. In het doordenken van dit grondslag leggende strijdtoneel kon het Duitse idealisme op haar beurt niet anders dan mislukken aan een pervasieve dimensie die eerst door de moderne technologie (en de wereld van homo finalis) aan de orde gesteld kon worden. [wordt vervolgd*]
*) De religieuze ervaring kan onmogelijk bezit worden, en toch suggereert de zelfverklaard religieuze mens die mogelijkheid, bijvoorbeeld door te stellen dat hij een geloof ‘heeft’, alsof het een eigendom of zelfs eigenschap is, en geen daad. Wat hem onderscheid van de vrome, maar samenbrengt met de groot-inquisiteur, is dat hij meent dat het afleggen van een verklaring (credo) volstaat, en zelfs de geloofsdaad zelf is – waarmee de religieuze ervaring samenvalt met de geloofsdaad van het martelaarschap. Dit was de grote uitvinding van de inquisitie, die vooruitliep op de latere nationalistische vaderlandsliefde en nationalistische eed: de juridische verklaring zelf werd getransformeerd tot religieuze ervaring.
**) In de definitieve uitgave.
The text above is part of a preview of a book (in progress) by Leon Dessau, titled Homo Finalis.
More info on the mainpage.
Unless indicated, all imagery on this site is AI generated, prompted in 2025 by Leon Dessau
Images: creative commons / copyright on text by Leon Dessau