Die ineenstorting is de bestemming waar iedereen naar op weg is, (…)’ – Garrett Hardin, 1968

[HF20260122-0209:de tragedie van de planetaire meent]

Rousseau’s ‘Het maatschappelijk verdrag’ (‘Le Contract Social’) rolde in 1762 van een Amsterdamse drukpers. Het stelt dat in een (democratische) samenleving van vrije mensen het individu niet langer onderworpen is aan het (feodale) gewoonterecht, maar aan de algemene volkswil, de volonté générale, die niet hetzelfde is als de tirannie van de meerderheid of van de enkeling. Het voert echter ook per ommegaande een nieuwe dwang in: wie weigert te gehoorzamen aan de algemene wil, zal (…) ‘er door heel het (maatschappelijk) lichaam toe gedwongen worden. Dit betekent niet anders dan dat men hem zal dwingen vrij te zijn’. Tussen die omschrijving en Jacques Donzelot’s beschrijving van het feitelijke sociale contract in zijn ‘La police des familles’ uit 1978 vergaan er een ruime twee eeuwen waarin homo finalis gestalte geeft aan wat dit ontwerp van de maatschappelijke ruimte in de praktijk betekent. Het ‘sociale contract’ manifesteert zich allesdoordringend en alomvattend in het sociale verkeer, bijvoorbeeld in kindpsychiatrische interventies en zogeheten sociale hulpverlening, als door Donzelot beschreven, maar ook op het gebied van het publieke, collectieve eigendom.
Wat dit laatste betreft, bracht Garrett Hardin in 1968 ‘de tragedie van de meent’ ter sprake, in een gelijknamig artikel in Science. Een meent, dat wil zeggen een natuurlijke hulpbron in gemeenschappelijk eigendom, zoals een weidegebied, kan rationeel en praktisch gezien alleen dan op een verantwoordelijke manier gebruikt worden, als elk individu daarvan niet méér gebruikt dan zijn aandeel rechtvaardigt, of dan gerechtvaardigd wordt door de blijvende beschikbaarheid van het potentieel van de meent. Zoniet, dan stort uiteindelijk de beschikbaarheid van de natuurlijke hulpbron ineen. Hardin meende: ‘Die ineenstorting is de bestemming waar iedereen naar op weg is, omdat iedereen zijn eigen belang nastreeft, ook al gelooft de gemeenschap in het eerlijk delen van gemeenschappelijk bezit’, waaruit hij concludeerde: ‘Vrijheid van handelen brengt iedereen tot de ondergang’. De gebruiker van de meent zou ook zijn verantwoordelijkheid voor zijn gebruik moeten nemen. Elinor Ostrom, een politicoloog, deed langdurig onderzoek naar deze kwestie en ontving daarvoor in 2009 de Nobelprijs voor Economie. Zij concludeerde dat er geen sprake is van een onontkoombare gang van zaken, en dat een verantwoordelijk collectief beheer van de meent wel degelijk mogelijk is, gesteld dat de regelgeving helder is. Ze stelde: ‘we moeten zien te bereiken dat we complexiteit begrijpen en er gebruik van maken in plaats van het af te wijzen’**.
De concrete omgevingen waarin deze kwesties opduiken, vragen erom. Zo waren bijvoorbeeld vier grote westerse producenten (Coca-Cola, Pepsi Cola, Nestlé en Unilever) in China, India, de Filipijnen, Brazilië, Mexico en Nigeria verantwoordelijk voor de productie van een half miljoen ton plastic afval per jaar, waarvan alleen al de CO2-uitstoot in hoge mate belastend is voor de planetaire meent.*
Maar wat als het bestaan daarvan niet eens erkend wordt, zoals onder de huidige Amerikaanse regering [anno 2026] het geval is? Welk sociaal contract en welke regelgeving verzekert ons dan tegen de tragedie van de meent? Het grootste obstakel is hier homo finalis, en diens afkeer van complexiteit en alles wat veeleisend is. Hij zegt comfort te willen, maar veroorzaakt zijn eigen verdriet. Dat laatste kan hem overigens niet zoveel schelen, zolang het maar uit beeld blijft en hemzelf niet direct betreft. De sociale media bedienen deze zwakheden. Ze houden hun gebruikers in een bubbel en de werkelijkheid op afstand.
De allergrootste karakterzwakte van finalis is echter deze: hij weet dit, maar drukt het besef weg en kijkt ervan weg. Was hij maar de simpele geest waar hij zichzelf graag voor uitgeeft; het gaat hem louter om het huwelijk tussen eigenbelang en de korte termijn. Toch bestaat er een belangrijke clausule bij zijn contract met de werkelijkheid: als individu is hij zijn eigen noodlot niet volledig meester. Dat besef is hem teveel, te onverdragelijk. Anders dan zijn beschaafde voorgangers, de archaïsche, antieke en klassieke mens, verdraagt hij de tragische werkelijkheid niet, en dus zichzelf ook niet. Zijn antwoord is de vluchtreaktie, en zo is ook de vlucht in het simpele weinig meer dan een vlucht. Een van de bewijzen daarvan: homo finalis slaagde er niet in de esthetische versimpeling van het minimalisme (zelf ook een vlucht, maar dat terzijde) vast te houden. In plaats daarvan kwam een kwaliteitsloze overvloed.

*) Garrett Hardin, ‘The Tragedy of the Commons’, Science 162, p. 1243-1248

**) Elinor Ostrom, ‘The Challenge of Reforming Resource Governance’, toespraak voor het South Asian Network for Development and Environmental Economics, 7 december 2011

 *) Tearfund, 2020,31 maart. De uitstoot bedraagt volgens de Wereldbank en de Britse organisatie Tearfund 4,6 miljoen ton CO2, wat gelijkstaat aan de uitstoot van 2 miljoen auto’s.

The text above is part of a preview of a book (in progress) by Leon Dessau, titled Homo Finalis.
More info on the mainpage.
Unless indicated, all imagery on this site is AI generated, prompted in 2025 by Leon Dessau
Images: creative commons / copyright on text by Leon Dessau

Posted in