Zelfheiliging door consumentisme

[HF20260130-0204-0220:de_consumentenhemel]
Een typisch exemplaar van homo finalis is niet langer burger, maar consument. Die twee zijn niet hetzelfde. Er zijn nu eenmaal twee soorten consumenten, zoals Dostojewski al in 1856 zag, bij zijn bezoek aan het Crystal Palace in Londen: zij die binnen zijn, en zij die naar binnen kijken. Die laatsten hebben geen geld voor het toegangskaartje. We ontkomen ook hier niet aan een spottende beschrijving, want het is even eenvoudig om je aan finalis te ergeren, als om je met hem te vermaken. Ik kies hier de omschrijving zoals die werd gegeven door de mythologisering in de ‘lagere’ regionen van artistieke productie. De typische finalis is immers een consument met riante bestedingsruimte: verwend, zelfgenoegzaam, overprikkeld, en (in de termen van Alfred Jarry’s Ubu Roi) ‘onthersend’ of (in de termen van Hollywood) ge_zombi_ficeerd.
Halfdood-zijn is tenslotte even besmettelijk als vampirisme, de post-aristocratische variant van zombïsme. Waar de vampier nog het laatste restje aristocratie vertegenwoordigt en een dandy is, uit op jong bloed om de dynastieke ondergang nog een tijdje te rekken, gegrepen door een hang naar de klassieke wereld die hem niet langer een spiegelbeeld gunt, daar is de zombie een slobby renegaat. Om de spot nog verder te drijven, zoals de literaire pulp en de filmindustrie dat gedaan hebben: anders dan de vampier is de zombie hulpbehoevend, slechtgekleed, onbekend met de wasmachine, verstoken van tandheelkundige zorg, duidelijk in nood van een therapeutisch traject en (prettig voor potentiële slachtoffers) zonder strategie, en dus kansloos. Beiden hebben wel een plan, in de trant van het potsierlijke devies ‘losers hebben een excuus, winnaars hebben een plan‘: het maken van slachtoffers. Daarbij hebben ze opmerkelijk veel oog voor details (knoflook, licht en geluid) en veel minder voor het hele plaatje. Maar een strategie hebben ze niet.
Details doen er dan ook niet echt toe in de wereld van halfdoden. Zij zoeken de kleine verschillen, afhankelijk van de hoeveelheid daglicht die toegelaten kan worden om niet te veel af te leiden van de focus op het futiele. Daarin lijken de vampier en de zombie op homo finalis, die zich ergens tussen beide uitersten in beweegt. Ze delen gedrieën dezelfde mythologische sfeer, en een gemis aan oriëntatie, richtingsgevoel en strategie. De finale hang naar het futiele, niksige, pietluttige en kleinzielige meldde zich in alles waarmee homo finalis zich omgaf en omgeeft. Tegelijkertijd en nogal opmerkelijk: finalis werd ongevoeliger voor materiële verfijning. Juist in de details en het fragiele toonde finalis zich als de hork die hij is: het lompe wezen dat niet meer lijkt op zijn voorgangers, de antieke en klassieke mens. De moraal van het futiele (een cultus van krenkingen en kleine identitaire verschillen) verschaft finalis bovendien een toevluchtsoord in bange tijden, want hij betrekt alles op zichzelf en is teergevoelig, snel gekwetst en ruggegraatloos; geneigd tot compenseren en imponeren middels een gekunsteld, op niets gebaseerd zelfvertrouwen[1] dat hij ontleent aan de zogenaamde ‘moed om voor zichzelf op te komen’, ofwel botte en schaamteloze zelfzucht.
Laten we de spot nog even voortzetten. Als teer zieltje dat de gehele planeet verwoest, is finalis veel gelegen aan de etiquette, het juiste standpunt en het correcte woordgebruik in zaken die er welbeschouwd helemaal niet toe doen. Bij voorkeur problematiseert finalis kwesties die te futiel voor woorden zijn, zolang ze maar verontwaardiging of andere opwinding veroorzaken in de aandachtseconomie die hem omgeeft. Het finale devies is ook hier: laat het vooral nergens over gaan. Het bijpassende moralisme is gênant. Een willekeurig anekdotisch voorbeeld: de ‘opruimtrutjes’ die zich bezighouden met ‘plogging’ (het vrijwillig opruimen van door anderen achtergelaten zwerfafval) worden door finalis getracteerd op complimenten (‘Goed bezig!’) waarna dan fijntjes wordt gewezen op een flintertje plastic dat over het hoofd is gezien. Maar finalis beseft dan ook dat er geen enkele reden is om zelfvertrouwen te hebben, ook al leert de cultus van het ‘self-esteem‘ wat anders. Zijn mentale leegte beangstigt hem zozeer dat hij vlucht in een afgestomptheid die hij voor zelfvertrouwen houdt – een afgestomptheid die zich verraadt in een gebrek aan waarnemingsvermogen, omgevingsbewustzijn en betrokkenheid, liefdevolle aandacht, verbeeldingskracht en monterheid.
Het fragiele, de angst, de aarzeling, twijfel en het ongemak: liever kijkt finalis de andere kant op en bestrijdt hij juist alsof het ziektes zijn, of zwaktes. In 2009 noteerde iemand dat de Verenigde Staten een ‘confidence virus‘ nodig hadden om via het internet een alternative reality en toenemend consumentenvertrouwen ‘te injecteren’.[2] Beter dan op die perverse manier kon het finale gebrek aan (en acteren van) zelfvertrouwen niet gediagnosticeerd worden. Zijn geacteerd zelfvertrouwen levert bovendien de flinterdunne ‘vrijheid’ om welke verbondenheid dan ook te ontkennen. (‘over-bored and self-assured‘, zong Kurt Cobain[3]) levert bovendien de flinterdunne vrijheid om welke verbondenheid dan ook te ontkennen. Finalis wil dan ook geen verbinding; liever wordt hij ge-entertained, beziggehouden. Zelfs de tijd doden – of beter nog: echt iets met je tijd doen, of echt niksen – is voor finalis zo goed als onmogelijk en lukt hem alleen in passieve, voorgekauwde modus. Uitwaaien en echt niksen, dat kost finalis teveel tijd en werkt hem op de zenuwen, ook als hij tijd teveel heeft. Die tijd spendeert hij liever aan vluchten in consequentieloze keuzevrijheid, bij voorkeur shoppend op de identiteitsmarkt, tussen verteringen, kleding, accessoires en decoratie. De tragiek van de finale mens is misschien wel dat hij zo hersenloos leeft dat hij zijn consequentieloze keuzemenu houdt voor een leven à la carte.
Het meest huiveringwekkend aan zijn positie is de onmogelijkheid om in de consumentenhemel een engel te worden. Als finalis een goed mens wil zijn, komt hij uit op zelfheiliging door consumentisme. Met die vrijwillig gekortwiekte vleugels neemt hij vrijwillig deel aan de Groene Khmer[4], een special effect van de propaganda door het bedrijfsleven, die de weigering om verantwoordelijkheid te nemen voor de gevolgen van eigen productie neerlegt bij de consument. Omdat homo finalis toch al alles op zichzelf betrekt, is hij een makkelijke prooi. Via de moralistische transactie van de zelfheiliging wordt hij, ‘de consument’, zelf een belangrijke oorzaak van ecologische en andere problemen in zijn verhouding tot de hem omringende wereld. Omdat finalis alles op zichzelf betrekt worden de institutionele, wettige mechanismen die de problemen zouden kunnen oplossen buiten spel gespeeld. Het gaat immers, zo lijkt het, om een individuele kwestie. Wat feitelijk esthetische keuzes zijn, verandert finalis dus niet alleen in moralistische momenten van zelfverheffing. Pijnlijker nog, is wat hij met zijn privatisering verhult. Om de wereld te veranderen, wil hij best bij zichzelf beginnen, vooral als dat niet verder gaat dan het betalen van een kleine bijdrage in de ecologische aflatenhandel, bijvoorbeeld de keuze voor havermoutmelk in de handgeplukte koffie, die door een onderbetaalde barrista voorzien werd van een kunstig getekend schattig hartje, want wie houdt er nu niet van koffieboeren die met de hand koffie moeten plukken omdat ze geen geld hebben voor machines?
Verder dan dat moet het niet gaan, want dan zou er wel eens echt iets kunnen veranderen.
Achter dat alles gaat een donkere kant van finalis schuil: hij verlangt heimelijk naar een dictatuur.
Waarom? Finalis produceerde behalve de zombie en de vampier (beiden zijn verslaafden) ook de ‘vrije mens’, maar de meest typische finalis kan zijn eigen vrijheid niet aan. De regie over zijn eigen leven nemen, is finalis niet gegeven. Hij gunt het zichzelf niet.
Vanwege dit alles zou de ‘vrije mens’ moeten instemmen met ingrepen die tegen zijn natuur ingaan. De burger zou uit zijn consumentendroom moeten worden verlost en als koning klant moeten worden onttroont, door hem eindelijk op te leggen wat hij zichzelf niet kan opleggen: een inperking van de uitdijende situationele ruimte die hij inneemt. De Nederlandse Wetenschappelijke Klimaatraad stelde in een rapport (Aan de slag met gedrag!, 20 februari 2026) dat de overheid wel degelijk gedragsveranderingen kan stimuleren of afdwingen, die de ecologische situatie begunstigen, en dat dit ook echt zoden aan de dijk zet. De vrije mens ziet daarin betutteling (zoals ook de fossiele industrie propageert [5]) en heeft dus nog een stap te gaan, voordat hij zich werkelijk uit de schaduw van homo finalis heeft bevrijdt. Alleen zo overwint hij de vampier en de zombie.
[1] De cultus van het zelfvertrouwen (‘self-esteem’) werd geïnitieerd door Ayn Rand. De zelfwaardering van homo finalis komt niet voort uit zelfverachting, maar uit zelfliefde vanuit een gebrek van besef van de eigen toestand.
[2] Dr. James H. Bray, Psychology and the crisis of confidence, in de American Psychology Association, maart 2009.
[3] Kurt Cobain e.a., (‘Nirwana‘): Smells Like Teen Spirit.: Here we are now, entertain us / I feel stupid and contagious / Here we are now, entertain us.
[4] Naar analogie van de Rode Khmer, de meest genocidale totalitaire dictatuur van de 20ste eeuw, die Cambodja hoopte terug te brengen tot het ‘egalitaire’ stenen tijdperk.
[5] NRC Handelsblad, 20 februari 2026
The text above is part of a preview of a book (in progress) by Leon Dessau, titled Homo Finalis.
More info on the mainpage.
Unless indicated, all imagery on this site is AI generated, prompted in 2025 by Leon Dessau
Images: creative commons / copyright on text by Leon Dessau