chaotiseren, schone handen houden, wegkijken

[HF20260222:ongelijkheid-als-finaal-streven]

Het bestaan van homo finalis valt goeddeels samen met de industrialisering op fossiele grondslag, en met een homogenisering van de mens die zich onder meer vertaalt in democratisch burgerschap en de zelfverheffing van het burgerdom tot bourgeoisie en, later, consumentendom – termen die feitelijk staan voor gelijkschakeling. Finalis schept feitelijke situaties waarin de feitelijke ongelijkheid tussen verschillende individuen maximaal vergroot wordt, terwijl de ideologie daarmee op gespannen voet staat en spreekt van rechtsgelijkheid. Dat maakt van finalis een listige koorddanser tussen twee onverenigbare uitersten. Finalis zal er immers alles aan doen om schone handen te houden, wat hem toestaat om weg te kijken van de ellende die hij veroorzaakt, en andersom. Wegkijken en schone handen willen hebben, zijn tenslotte wezenskenmerken van finalis. Als finalis in de spiegel kijkt, wil hij zichzelf kunnen bewonderen.
De staat, drager van dit alles, werd in dezelfde beweging natiestaat en daarmee familiair, als bezongen in ‘de broer van de Marseillaise’, het Chant du Départ, dat van de revolutie een melodramatische familiekwestie maakt. Die onheilige familie betekent niet alleen de invoering van de dienstplicht, dus de onvrijwillige, onbetaalde beschikbaarstelling van de levens van jonge burgers, die aan het begin van hun volwassen leven staan. Het betekent ook dat de staat zich opwerpt als erfgenaam en vermogensbeheerder, belastingheffer, rechter, hinderlijke hulpverlener, opvoeder, zielzorger, cipier, en wat al niet.[1] In jongere natiestaten is dit uiteraard minder het geval dan in het noordwesten van Europa, dat het epicentrum van deze ontwikkeling is geweest, maar steeds is het de staat geweest die vergunt, stuurt, bouwt, surveilleert, be- en ontmoedigt, afhankelijkheid schept en mogelijkheden moeilijk of onmogelijk maakt. De onderwerping, uitbuiting en vernietiging van al het aardse is daarbij steeds het uiteindelijke doel geweest; het scheppen van reservaten en beschermende bepalingen was daarvan slechts bijproduct. Finalis streeft uiteindelijk naar doelen die hij ook voor zichzelf verheimelijkt, wat zijn begrip van de wereld ernstig bemoeilijkt, maar hij gelooft ook werkelijk in de goudomrande leugens die zijn cynische strevingen maskeren. Want zie: wat finalis hield voor typische verworvenheden van het kapitalisme, of zelfs aantoonbaar disfunctionele toonbeelden van ‘efficiency‘, Die ‘efficiency’ is ondertussen niet alleen door Thorstein Veblen, maar ook door de paradox van Jevons ontkracht. Ondertussen werden de ‘kapitalistische’ boegbeelden gewoon door de staat gesubsidieerd, zoals inmiddels door meerdere studies is aangetoond: auto- en vliegverkeer, fossiele, militair-industriële en agro-industriële industrie [2] zouden ondenkbaar zijn geweest, en zijn nog altijd ondenkbaar, zonder massieve subsidies van de staat, dat wil zeggen de transfer van publieke middelen naar pseudo-commerciële entiteiten die planetaire hulpbronnen zoals onvervuild water exploiteren en ook vernietigen. De achterliggende politieke economie (‘staatskapitalisme‘ is een verleidelijk stempel) draait dan wel op het motoblok van het kapitalisme, maar draagt evengoed een fiscaal en dus administratief karakter. Niet de geldstromen hebben het zo geregeld, zoals de neoliberale mythe wil: het was de wijze van kanalisering.
Zoals antropoloog David Graeber en archeoloog David Wengrow lieten zien [3], is de vraag naar de oorsprong van de menselijke, maatschappelijke ongelijkheid zelf historisch. De vraag, betogen zij, is sterk gekleurd door Rousseau’s opvatting [4] dat de technologische ontdekkingen ons hebben vervreemd van onze oorspronkelijke toestand, en ons tot slaaf hebben gemaakt. De vraag naar de maatschappelijke gelijkheid zelf, was echter vooral, zoals beide auteurs stellen, ingegeven door de Europese ontmoeting met de inheemse bevolking van de Amerika’s, en de juridische en filosofische verwerking daarvan. Het idee dat discriminatie en ongelijkheid ingebakken zitten in complexe samenlevingen, ontstond niettemin vanuit dezelfde invalshoek: ooit waren wij allen gelijk, maar de toenemende complexiteit van ‘hoger ontwikkelde’ maatschappijen maakte ons ongelijk aan elkaar, en schiep noodzakelijkerwijs de wrede tegenstelling tussen slaven en have-nots enerzijds en vrije vermogenden anderzijds. Dat laatste schema werd door beide auteurs ontkracht als samenhangend met beperkende mythes zonder reële historische grondslag. Nog merkwaardiger wordt het, als de sociale ongelijkheid door finalis wordt verdedigd met een beroep op het natuurrecht, zoals in het geval van het sociaal-darwinisme en het nazisme dat daaruit ideeën putte. Medeleven en solidariteit, de grondslagen van samenwerking, werden door het sociaal-darwinisme weggezet als decadente producten van een doorgeschoten beschaving die zichzelf had vervreemd van de natuurlijke orde. De menselijke moraal werd daarmee juist geïsoleerd van haar evolutionaire, biologische achtergrond [5] want juist samenwerking heeft de mens zover gebracht, en ook de geschiedenis van de economie ondersteunt de noodzaak tot samenwerking.
Maar hoe kan het zijn dat ongelijkheid het verheimelijkte doel van finalis is, terwijl hij tegelijkertijd openlijk homogenisering nastreeft? Het antwoord kan niet alleen gelegen zijn in de finale neiging tot zelfverheffing en zelffelicitatie.


1. De toekomstige, andere staat (pun intended) zal evenzeer intiem met ons worden, maar op andere grondslagen.
2. De organisatie Foodrise stelde dat op 19 februari 2026 dat de EU maar liefst 580 keer zoveel financiële middelen ter beschikking stelde aan de agro-industrie, dan aan ‘eco-vriendelijke’ alternatieven.
3. David Graeber en David Wengrow,The Dawn of Everything. 2021
4. Jean-Jacques Rousseau in zijn inzending op een prijsvraag van de Académie des Sciences, Arts et Belles-Lettres de Dijon, 1754
5. Dick Swaab, Wij zijn ons brein, 2020 p. 292: ‘In 1996 redde het gorillavrouwtje Binti Jua eendrie jaar oud jongetje dat zes meter naar beneden was gevallen in het primatenverblijf van Chicago. Ook andere soorten kunnen zich opofferen voor de mens. Zo sprong een labrador in Californië voor zijn beste vriend en werd daardoor zelf door een ratelslang gebeten. Van dolfijnen is bekend dat ze niet alleen soortgenoten uit netten kunnen bevrijden, maar ook mensen kunnen redden. Het medeleven met en het helpen van anderen is dus weliswaar de kern van de menselijke moraal, maar heeft een lange en zeker niet voor de mens exclusieve evolutionaire geschiedenis.’

The text above is part of a preview of a book (in progress) by Leon Dessau, titled Homo Finalis.
More info on the mainpage.
Unless indicated, all imagery on this site is AI generated, prompted in 2025 by Leon Dessau
Images: creative commons / copyright on text by Leon Dessau

Posted in