Een mooi lijk: homo finalis als necrofiel

[HF20260126:finale_vergankelijkheid]
Het hart van de musealisering wordt niet gevormd door de collectie of de tentoonstelling, maar klopt in de museumwinkel. ‘At the end of the postmodern show, the exit is always through the gift shop.*’ Daar toont de tempel te zijn overgenomen door kooplui en rekenmeesters. Musealisering betekent in die wereld: de zaak moet draaien. En, uiteraard, men neemt er iets van mee, zoals ‘middeleeuwse’ pelgrims op hun pelgrimage pelgrimstekens verzamelden. In de beleveniscultuur die zich in de twintigste eeuw met belevenissen verknoopt heeft, ging het om voorgekookte ‘ervaringen’, maar al eerder, in de negentiende eeuw, was dat het geval. De leisure class ging op seculiere pelgrimage – naar het voorbeeld van de elitaire Grand Tour – en ontdekte onder meer hoe tijd zich liet betrappen. Huymans en Thomas Mann zagen al vroeg hoe het trage sterven van ooit belangrijke steden dankzij toeristische bezoekers zowel de balsem als de lijkgeur van het kadaver ontving. In het tijdperk van de industrialisatie van belevenissen werd dit alles collectieve sensatie, en geëconomiseerd.
Overheden die over mooie lijken zouden moeten waken, werden gehackt door bedrijven die profiteerden van de musealisering en belevenisindustrie, en stonden kansloos tegenover ‘overtoerisme’. Musealisering heeft vele gezichten, en de langzame wurging van schitterende plekken is er slechts één van: toxic tourism deed ook afgelegen buitengebieden aan, en wist daar oude sociale structuren grondig te ontwrichten of zelfs geheel te vernietigen.**
Finalis is de stuurman in dat proces, ook als hij met ongenoegen of gemengde gevoelens aan het roer staat. De paradox van de musealisering is uiteraard dat het oude juist door de musealisering voortleeft, ook al is dat leven na de dood niet hetzelfde als het leven zoals het geleefd werd.
Op zijn toeristieke zoektocht door de wereld stuit finalis dus vooral op een groots en om zich heen grijpend sterven. Waar hij op zoek gaat naar waar de wereld in de wereld verschijnt, toont hij zich als een veelkoppig wezen: een beul op zoek naar parfums, een strontvlieg die landt op een open wond. En op niets groeit nog mos, geen haveloze muur herinnert nog aan de vergankelijkheid.
De toeristische begeerte zoekt de belofte van een geheime vrucht: de eeuwige jeugd, de gestolde herinnering, het voorgoed kunnen vasthouden van een moment. De lijkgeur van de opgekalefaterde kadavers die door toerisme bezocht worden, ruikt ondertussen overal hetzelfde. Het nieuwe gezicht van de dood van oude steden en oude werelden is oneindig mooi, en iedereen wil de mooie lijken bewonderen, nog een extra nagel in de doodskist slaan.
Nietzsche noemde kerkgebouwen liefkozend ‘het graf van god’, en onder dit gesternte bereikt de Sagrada Familia dan ook haar hoogste punt. Het groter en hoger worden van gebedshuizen markeert op zichzelf al de tanende spirituele macht van wat ze huisvesten, maar in het geval van Barcelona resteert nog slechts het graf waaraan men zich komt vergapen, zoals de stad zelf al zo’n graf geworden is, met dank aan het overtoerisme dat we ook van Venetië en Amsterdam kennen.
In dit alles verraadt zich een enigszins necrofiele homo finalis: hij wil een mooi lijk zijn. Zijn probleem is, dat hij weet dat er behalve hem niemand is om van dat mooie lijk te genieten. Daarom beperkt hij de uitvoering tot de achtergrond van zijn pose voor de spiegel, die inmiddels de vorm heeft aangenomen van een smartphone.
*) Stuart Jeffries, Everything, All the Time, Everywhere. How We Became Postmodern.
**) Vgl. Phaedra C. Pezzullo, Toxic Tourism 2007
The text above is part of a preview of a book (in progress) by Leon Dessau, titled Homo Finalis.
More info on the mainpage.
Unless indicated, all imagery on this site is AI generated, prompted in 2025 by Leon Dessau
Images: creative commons / copyright on text by Leon Dessau