Een schitterend verhaal (ook in Antwerpen gehoord, ik weet niet meer van
wie) over Louis Lehmann, vanaf zijn verschijning in de Nederlandse literatuur
meteen een legende. Hij was ergens op een feestje in de betere kringen,
waar o.a. ook een kolonel van de artillerie aanwezig was. Nadat er enkele
drankjes waren geconsumeerd, wendde de gastvrouw zich tot Lehmann en
vroeg vleiend: ‘En misschien wil meneer Lehmann nu een paar van zijn ge-
dichten voorlezen?’ Waarop Lehmann repliceerde: `Misschien wil de kolonel
daar eerst een van zijn kanonnen afschieten?’
Aangezien de vraag om een gedicht te mogen lezen legitiem is,
hieronder alvast een drietal gedichten in voorlopige versie (!) als voorproefje
van het tweede deel (in wording) van de gedichtencyclus gewijd aan Ut.
Het eerste deel telde 191 gedichten
2.24
niet leven wij de droomsubstantie van de wereld, want zij leeft ons en kent ons in graden, kent onze holtes en verborgenheden, aanhechtingen en krachten; waar het denken schering en inslag levert, weeft de droommacht het visioen dat de wereld richting geeft, alleen zichtbaar aan de dagkant; toch woekert de keerzijde in huishoudkundige en bestuurlijke ondiepten, daar waar trotse schepen schipbreuk leiden en hun bemanning de hel op aarde probeert te ontvluchten, desnoods in een tijdelijke hemel; in een tegenwereld voorbij de tussenruimten die wij bewonen, echter, ontstond een diepzee vol nieuwe walvisgezangen; aardser dan aards; zie een denkende oceaan; het oog van een voordien onbekend wezen heeft over dat alles gewaakt, als een getrouwe beschermer; maar ik zal u geen offer brengen dat door vuur wordt verteerd, en pleng mij geen bloed, want een zondoorstoofd glas verslaat uiteindelijk elke duivel
2.25
nu woorden steeds minder wegen (devaluatie) en licht als een veertje, zonder maat, in de kolk en kettingregels van een verstorende hoos zijn beland; nu woorden aldoende ongewild en onmachtig bewerken dat niets nog helder verschijnt, niets nog helder is, en in dezelfde mist niemand (niemand mist iets, zelfs geen oog) niemand nog weet wie wat bedoelt of weet wat er gaande is; nu in deze mistige gesteltenis de toestand niet langer als een gedeelde werkelijkheid bepaald kan worden, en zelfs een kolibri wellicht geen kolibri is, want de naam van een drone; nu de feitelijke aantallen en de wijze waarop hun rijen alterneren alsof sfinxen niet langer gefixeerd zitten in hun dromos; nu de precieze mechanismen waarmee ze tewerk gaan duister zijn geworden, en de ware gevolgen hiervan – gevolgen zoals ze zich laten voelen in elke dimensie en in elk aspect van het leven – aan het oog onttrokken; juist nu hebben we woorden nodig die er niet zijn, en nieuwe weegschalen om het gewicht van de dingen te wegen
2.30
voorzeker, dan komt hij die alles heeft gezien, hij die zichzelf voltooit als de gezant huizend en zich verschuilend in ieder van ons; niet de perfecte sociopaat, geen dociele dienaar, evenmin de min die zich tot in alle lichaamsopeningen aan ons opdringt; toch maakt de sleutelheer (אדון המפתח) zich meester van ons terwijl wij meesterlijk menen te worden, of juist tegenovergesteld de nietsige knecht die wij steeds hebben gevreesd in onszelf te vinden omdat we om ons heen zoveel nietige knechten zagen; in die metamorfose lost de zoutman op in de aarde, voor even versmolten – zalig, zalig! – met de zilte mantel die haar bedekt, om dan te merken – pijnlijk, pijnlijk! – dat wij opgaan in Ut, ’t worden en tegelijkertijd vergaan, volkomen heengaan, van onszelf weggaan, ten onder gaan, en verlangen te verdwijnen; eerst dan zal ons nieuwe zelf verschijnen, fonkelend als traag aanwassende, rauwe gletsjers, glinsterend met de glans van nieuw rood koraal