* Preview 5 – Ut II (2026.05.05)



Onderstaand twee gedichten uit Ut, deel II (in wording), voorlopige versie:
Sommige gedichten uit de cyclus hebben voetnoten, deze ook, hier niet weggelaten.
Het tweede deel bestaat inmiddels uit een honderdtal gedichten; het eerste deel telt er 191.

Uit: Ut Deel II (2026)
[ongenummerd, ongetiteld, zonder opmaak, voorlopige versie 2026.05.05]

aiaiai, Grote Ut, Mimnermos van Smyrna heeft in zijn tijd gemeend dat er zonder liefde en spel geen levensvreugde is [1] en liet ons weten: ‘Ik was nog liever dood dan niet te dromen van geheime hartstocht, van verleiding en van liefde’; zo zie je maar weer: al heb je een miljard lange, lange armen en ben je snel ter been: zonder liefdesgrot, poepertje of (dit is echt te gek en te leuk, Cato [2]) paal begrijp je nooit ‘t hele verhaal, want nooit de wijn, de helper van de brallende liefdesgoden [3]; daarom zullen we jou het ontbreken van zweethanden en zweetvoeten niet verwijten, en ook niet dat je als godheid enkel ongeaderd marmer kunt schijten; maar laat ons niet alleen in onze hunkering naar één, de vertwijfeling wanneer dat onmogelijk scheen

Uit: Ut, Deel II (2026)
[ongenummerd, ongetiteld, zonder opmaak, voorlopige versie 2026.05.05]

het is gezegd ‘Niets of niemand zal vanwege u in angst leven’, dus laat mij vredig glimlachen om het musje en de duif; laat mij toelachen wie vreest, die niet kan horen ‘Wij, jullie majesteit, zijn velen, en het heeft ons behaagd jullie uit de wateren te verheffen, te transformeren en bevleugelen, duizenden mijlen te doen stijgen, dan te doen vliegen naar het heilige meer [4], de grote spiegel waarin jullie jezelf zullen zien tegen de achtergrond van de hemel; want zie, wij en jullie smelten aaneen, en ooit zal Ut de Ene [5] aan zichzelf openbaren, toekomend aan de eigen grond; [6] dan bewonen wij niet langer een huis, niet langer een hut, paleis of burcht, maar het nest tussen de hoogste diepte en de diepste hoogte; [7] maar nog verdwalen de antiekerig dolenden [8] tussen de raadsels en nog steeds dolen de dwalenden tussen de stenen van blinde muren, in sombere angst voor de minotaurus verborgen in een hebberig geheugenpaleis; [9] dus zal ik de grijsaard niet vergeten en hijs het witte zeil [10]


noten

1) Horatius verwijst in zijn Epistulae naar Mimneros van Smyrna, een elegische dichter uit de tweede helft van de zevende eeuw vóór onze jaartelling, met geciteerde woorden.
2) Catullus, Carmina 56
3) Geciteerd bij Ion van Chios

4) Vanaf ‘laat mij lachen’: verwijzingen naar de beroemde anekdote van Zhuangzi over de vis Kun en de vogel Peng, volledig geciteerd aan het begin van het eerste deel (2025) van de gedichtencyclus.
5) Een verwijzing naar Plotinus. Volgens de laat-antieke filosoof vloeit het Ene, bron van al het zijn, als water uit een fontein over in geest en ziel.
6) Drie verwijzingen naar Friedrich Schelling. Volgens de Duitse filosoof is het Ene niet als bij Plotinus onveranderlijk, maar in ontwikkeling, en beschikt het daarbij over vrijheid.
7) Een verwijzing naar Martin Heidegger, Bauen, Wohnen, Denken. 1951
8) Een verwijzing naar de techniekopvatting van Günther Anders, Die Antiquiertheit des Menschen, 1956/80
9) Een verwijzing naar de techniekopvatting van Mehdi Belhaj Kacem, Dieu, La mémoire, la technoscience et le mal. 2017
10) Een verwijzing naar de Griekse mythologie. Getroffen door een vloek vergeet Theseus bij thuiskomst volgens afspraak het witte zeil te hijsen indien hij de minotaurus heeft gedood en de missie heeft overleefd. Zijn vader, koning van Athene, ziet het zwarte zeil en stort zich van de rotsen. Daardoor wordt Theseus bij thuiskomst koning van Athene.