
Jaoquim Manuel da Rocha (1727-1786), Brandend schip. Olie op doek, 1745-1775
Provenance Academia das Ciencias, Portugal, 1867 MNAA inv 644 PINT
A&S # 1. 2026.07.01 – van bestaan naar hebben
Het is waarschijnlijk omstreeks de tijd van de grote aardbeving die Lissabon in 1755 verwoestte, dat Jaoquim Manuel da Rocha een nachtelijk tafereel rond een brandend schip schildert.
Het schip ligt voor de kust en op de voorgrond is een grote roeiboot zichtbaar, met roeiers die vanaf de kust worden toegeroepen door een man die een driesteek draagt.
In de periode waarin de schilder leeft, verandert de natuur van een min of meer betrouwbaar, statisch gegeven in de bron van elementair, machinaal en catastrofaal geweld zoals wij die nog steeds kennen, en dit beeld van een brandend galjoen past naadloos in een overeenkomstig veranderde fascinatie. Ook al is het verhaal rond het galjoen onbekend: het brandt duidelijk niet ten gevolge van een oorlogshandeling of schipbreuk. De mens, zo wordt ontdekt, heeft wel degelijk invloed op de natuur van de dingen, ook al lijkt het tegenovergestelde het geval en inderdaad: de catastrofe, eenmaal gaande, is niet meer te stoppen. Doorslaggevend is het genie waarmee de dingen worden ingericht, en die bevinding wordt algemeen gedeeld in het Europa van de Verlichting. Het dwingt onder meer de hekserij tot aftocht.
Maar waar is de ultieme geest van de (abrahamitische) almachtige Schepper en God in dit verband? Waarom stond en staat Hij het toe dat de natuur een blinde vernietigingskracht kan tonen?
De beving van Lissabon verwoestte één van de destijds belangrijkste hoofdsteden van Europa, en vond plaats op een belangrijke katholieke feestdag, Allerheiligen: dat maakte de vraagstelling nog pregnanter.
De beving van Lissabon bracht nadrukkelijk de waarde van individuele mensenlevens in het geding.
Het was immers duidelijk dat niet langer het bestaan van de wereld als zodanig de waarde van een mensenleven bepaalde, maar hoe en met welke kwaliteiten of attributen de wereld is ingericht.
Het gegeven dat aan de mens al dan niet een waarde kan worden toegekend, correspondeerde bovendien met het nihilistische karakter van de abrahamitische godsdiensten. Daarin werd immers niet alleen de individuele waarde van de mens bepaald en bepalend, maar was de wereld ook ondergeschikt aan het vaststellen van die waarde. De antieke bevinding dat het leven intrinsiek van waarde is, louter op grond van het feit dat het leeft, was dus al achterhaald.
De vragen die na de aardbeving van Lissabon ontstonden, raakten de beroemde verklaringsgrond (theodicée) van Leibniz, die in 1710 stelde dat er geen natuurlijke wereld denkbaar is die méér optimaal Gods wil gehoorzaamt dan de bestaande. Weinig is opgemerkt dat die ‘optimistische’ kijk op de wereld (een latere verdraaiing van Leibniz’ bevinding) resoneert met een andere vraag die Leibniz zichzelf stelde, namelijk: is de mens een lichaam, of heeft hij een lichaam?
In zijn tijd werd de waardeverschuiving van bestaan naar bezit immers definitief. De bruikbaarheid en productiviteit van de mens werden in geldelijke waarde uitgedrukt. De onbepaaldheid die het antieke denken toeschreef aan de mens, moest wijken voor extreem nauwkeurige, numerieke waardebepalingen; waarderingen binnen een economisch kader dat zelf nog ontworpen moest worden.
Terwijl Malthus en andere economen van het eerste uur die bepalingen formaliseerden, was er een Immanuel Kant, die de Franse Revolutie binnen de filosofie bracht: het toekennen van waarden aan de dingen is een resultaat van onze gewaarwording van de dingen. Daarmee bracht Kant de beweging van bestaan naar hebben verder naar de beweging van hebben naar vormen – allereerst door de waarneming van de dingen. Naast vorm en vormgeving ging het besef dat deze zienswijze waardebepalend was over in een op zichzelf staande waardering van de verschijningsvorm – wat Karl Marx warenfetischisme noemde. De ervaring van de wereld werd daarmee koopwaar, in de vorm van een te reproduceren beleving. Guy Debord schetste die toestand in 1967 in zijn De Spektakelmaatschappij.
De Rocha’s brandende galjoen is een vroege voorloper van de toestand die Debord schetst.
Het doekje laat een ervaring beleven die hij wellicht aan den lijve heeft ondervonden, zoals de grote Engelse zee- en landschapsschilder Turner zijn beroemde schilderij van de Temeraire schilderde als een bewust beleefde publieke ervaring.
De voorafgaande fasen van bestaan en zijn, gevolgd door eigendom en bezit, zijn en blijven niettemin in de waardering aanwezig, zij het verscholen. Post-singulaire entiteiten (AGI, etc.) zullen die fasen dan ook meenemen in hun herdenking van de aanvankelijke toestand, waarin de mens nog het onbepaalde en dus het verschrikkelijke is.